Blog 100

on

En opeens mag je gaan schrijven aan blog nummer 100! Al 99 keer het achterste van je tong laten zien om de lezers de schoonheden van het Rijmrijk te tonen… En nog niet uitgeschreven want hoeveel gedichten zijn er wel niet gemaakt, ooit? Meer dan we tellen kunnen. Op 22 maart 2015 schreef ik de eerste. Vakantiefoto erbij van het standbeeld van Gustaf Fröding in Karlstad in het immer vochtige Zweden. De inzet van het Rijmrijk was dat het als een soort Capitoolgids van een land de reiziger zou leren over de bezienswaardigheden en daarmee een enthousiasme te kweken over het land Rijmrijk. Maar in poëzie hoeft toch al lang niet meer iedere zin te rijmen op een van de vorige? Nee, dat is zeker waar, maar er rijmt zoveel meer in een gedicht dat mijn stelling werd: er rijmt altijd wel iets in een gedicht. En dus hoort het thuis in het Rijmrijk.En gelukkig wilden er ook mensen mee op excursie met de reisgids. Niet altijd meteen als er een nieuwe blog was uitgekomen. De meeste blogs werden opgespoord via Google. Grappig is het om te zien dat na de documentaire van de jarige Campert de blogs over hem zeer goed werden bezocht. Graag gedaan!

De blog maak ik in WordPress en dat programma biedt ook wat elementaire statistiek. Zo weet ik uit welke landen de lezers zoal komen. Veel Nederland, dan een respectabel deel uit België, en dan de rest van de wereld waarbij Hongkong op de vierde plaats komt… Ik snap het niet, maar ben er blij mee!

Getallen zoals de 100 in deze blog spelen in de poëzie zelf niet een hele grote rol, maar wél in de titels van bloemlezingen. De ‘500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben’, de ‘moderne Nederlandstalige poëzie in 400 gedichten’ en natuurlijk Komrij en later Pfeijffer die tijdvakken aanwijzen en er dan ‘1000 en enige’ gedichten bij zoeken.

Jubileums (’50 jaar Poetry International’) zijn mooie aanleidingen om iets bijzonders te doen en dat is al jaren het geval. Ik vond een verkleurd exemplaar van de 100-ste ABC-pocket. De ‘rode’ uitgeverij De Arbeiderspers maakte betaalbare pockets voor het grote publiek. Daar zaten goed lopende bundels van Simon Carmiggelt tussen, populaire jeugdboeken, maar ook bloemlezingen. Hans van Straten mocht de samenstelling doen van de bundel met de korte naam 1pk. Van Straten in zijn inleiding: “Die ene paardekracht – moet het nog gezegd? – is Pegasus, het gevleugelde paard, dat de muze tot vervoermiddel strekt.” De opdracht was 100 gedichten van 100 levende dichters waarbij de uitgever twijfel uitstraalde of er wel zoveel zouden zijn in het Nederland van 1957. Dat bleek geen probleem, de uitdaging voor de samensteller was (zoals immer) keuzes maken uit het totale aanbod.

Dat aanbod was groot. En de samensteller was niet uit op een programmatische selectie. We komen Vijftigers tegen (Campert, Kouwenaar, Lucebert) en de meer lichtvoetige dichters (Cees Stip, Daan Zonderland, Annie M.G. Schmidt) en traditionalisten (Ida Gerhardt, Simon Vestdijk, Gerrit Achterberg). En zo krijg je een overzicht van wie er zoal actief waren als dichter nog voordat de jaren 60 moesten beginnen.

Om aan te sluiten bij het getalthema van deze blog heb ik een gedicht gekozen waar een getal in voorkomt. Een jaartal weliswaar, maar ook dat is relevant. We vieren op dit moment dat het 75 jaar geleden is dat Nederland werd bevrijd. Het gedicht van Halbo C. Kool is geschreven vanuit het perspectief van de jongelui die de oorlog heelhuids zijn doorgekomen, maar goed beseffen dat er iets wezenlijks is veranderd. Veel vrienden zijn niet teruggekeerd, huizen worden bewoond door andere mensen. De dichter gebruikt daarvoor negen strofen van twee regels (de ‘distichon’) en de laatste woorden hebben veel klankovereenkomsten, maar rijmen niet opdringerig. In zogenaamd ‘halfrijm’ voel je de verbinding tussen ‘doden’ en ‘lopen’, maar ook tussen ‘doden’ en ‘dromen’. Toekomstdromen zijn versplinterd, de jonge doden zijn er niet meer, maar ze duiken wel overal op…

Anno 1946

Er zijn veel te veel jonge doden
om rustig rond te kunnen lopen,

overal weer kom je ze tegen,
bleekjes, glimlachend en verlegen.

Bij vlaggen, halfstok in plantsoenen,
hoor je jezelf hun namen noemen.

Zij willen zich ons niet opdringen,
maar vullen je herinneringen.

Uit huizen, waar nu vreemden wonen,
zie je vrienden naar buiten komen,

je loopt in drukke winkelstraten
nog binnensmonds met ze te praten.

Je hoort, maar ijler dan tevoren,
steeds weer hun laatste afscheidswoorden,

zij zitten thuis op je te wachten
als de eigen binnengedachten.

Er zijn te veel te veel jonge doden
om ongestoord te kunnen dromen.

Halbo C. Kool