Malle Babbe in versies

Tekstdichter Lennaert Nijgh had zich vergist. Hij haalde twee schilderijen van Frans Hals door elkaar. Het rondborstige meisje dat hij op het oog had toen hij een lied schreef over een  prostituée kreeg de naam mee van een ander geschilderd portret. Malle Babbe was de naam van een vrouw op een ánder schilderij: Barbara Claes, verstandelijk gehandicapt en daarom beter bekend als Malle Barbara, kortweg Malle Babbe. De uil op haar schouder is niet de uil van Minerva, maar eerder een verwijzing naar haar dronkenschap: ze was zo ‘zat als een uil’. Van dat schilderij dat gemaakt is rond 1633 – 1635 zijn meer versies.

De Malle Babbe van Han van Meegeren

Gustave Courbet schilderde het na in 1869 toen het origineel rondreisde en in een museum in München hing. Courbets schilderij hangt in Hamburg, Hals’ eigen Malle Babbe hangt in Berlijn en het Zigeunermeisje is afgereisd naar Het Louvre in Parijs. Beeldhouwer Kees Verkade maakte een bronzen beeld van Malle Babbe in 1941 en ook meestervervalser Han van Meegeren heeft een versie gemaakt van haar. Maar dat is dus niet de vrouw die Nijgh voor ogen had toen hij zich aan het schrijven zette van zijn versie.

Ik kwam het liedje tegen in de bundel Ik ben blij dat ik je niet vergeten ben. Nieuwe Nederlandse liedjes uit de 20ste eeuw. Vic van de Reijt stelde een opvolger samen van Toen wij van Rotterdam vertrokken, een bloemlezing van bekendste liedjes. Dankzij die opvolger kan ik de tekst ophalen van Zomer in Zeeland van Saskia en Serge, maar ook van Op fietse van Skik, de band van Daniel Lohues. We kunnen lezen waarom Marco Borsato’s dromen niet altijd bedrog zijn en natellen hoeveel ‘na’s’ er zitten in Gerard Cox’ Het is weer voorbij die mooie zomer. Niet al die meezingers hebben teksten die het verdienen om te worden opgenomen in het Rijmrijk. Maar er zitten juweeltjes bij. De teksten van Lennaert Nijgh bijvoorbeeld, waarvan er maar liefst zeven deze bundel hebben gehaald.

Lennaert Nijgh (1945 – 2002) schreef zelf de teksten met uitleg van de bundel Tekst en uitleg, de liedteksten had hij immers al geschreven. De bundel noemt geen jaartal van verschijnen maar de teksten strekken tot 1990. ‘Malle Babbe’ komt voor in het hoofdstuk ‘De rode draad’ waarin meer teksten staan rond het thema prostitutie zoals het bekende ‘Ik doe wat ik doe’. Het liedje had echter ook kunnen staan in het hoofdstuk met Haarlemse liedjes waarin teksten staan over Het Spaarne en de holle boom van Kraantje Lek, zegt Nijgh zelf omdat zijn inspiratiebron lag bij Frans Hals, de schilder die een groot deel van zijn leven in Haarlem heeft gewoond. Hij had het Zigeunermeisje op het oog: “Een sprankelend erotisch portret, dat de meester waarschijnlijk voor een bordeel geschilderd heeft.” ‘Malle Babbe’ is geschreven in opdracht en moet voor het eerst zijn uitgevoerd door Adèle Bloemendaal, een bekende comédienne in die tijd. De tekst is dan ook gemaakt vanuit het ik-perspectief, het perspectief van het meisje zelf. De muziek werd, zoals zoveel vaker bij het werk van Lennaert Nijgh, gemaakt door Boudewijn de Groot, streekgenoot, schoolgenoot. Boudewijn heeft het nummer zelf ook gezongen in zijn theaterprogramma’s en dan de oorspronkelijke versie.

Bekendheid krijgt het nummer pas als Rob de Nijs het uitbrengt in 1974. Lennaert was met hem gaan samenwerken in de periode dat Boudewijn bezig was met andere zaken. De carrière van Rob de Nijs zat in het slop en ondanks alle tegenwerking lukte het om ‘Jan Klaassen de Trompetter’ en ‘Zuster Ursula’ tot succes te maken. Een succes die weer vele vaders had. Toen het later weer even niet vlotte met de verkoop van plaatjes heeft Rob de Nijs ‘Malle Babbe’ opgenomen en dat werd een knetterend succes. Overigens werd er voor de versie van Rob de Nijs een perspectiefwisseling ingebracht. De ‘ik’ is nu een stille minnaar die de gang van Malle Babbe beschrijft. Dat wordt vooral duidelijk aan het einde: ‘Maar eens dan komt de dag / Dan luiden ze de klok / Dan draag jij witte bloemen / En linten aan je rok / Wanneer we met elkaar / Gearmd de kerk uitgaan…’
Bovendien werd er op de radio toen streng gelet of er geen onwelvoeglijke taal werd gebruikt in liedjes. Vooral de christelijke omroepen gebruikten een lijst met plaatjes die niet gedraaid mochten worden. Zo is de singleversie aangepast ten opzichte van de albumversie. De passage met het aandrukken tegen de borst van een geile kop wordt daar:  ‘Ik heb het vaak gezien / wanneer zo’n stuk verdriet / voldaan naar buiten kwam / en jou daar achterliet.’ En zo ontstaat een nieuwe versie van een tekst die over de dubbele moraal gaat: wel je vermaken met de meisjes maar ze niet herkennen als je in de kerk vroom zit te wezen.

Ik heb hieronder de originele versie opgenomen, waar ook al een perspectiefwisseling in zit als de ‘ik’ zingt hoe er over haar wordt gezongen. Het lied is lastig te lezen zonder dat je de aanstekelijke muziek in je hoofd mee hoort neuriën. Maar de tekst heeft de muziek niet nodig om het te redden. Dat komt vooral door het beeldende taalgebruik van Lennaert Nijgh. Hij beheerste de techniek om de lezer / luisteraar snel in de sfeer te brengen van het tijdvak waarin het verhaal zich afspeelt. Vanaf de eerste regels weet je dat je niet in de moderne tijd bent, maar in de tijd van een ‘dievenspoor’ en waar soldaten een pet scheef op hun hoofd droegen.

Malle Babbe

Ik schuim de straten af
en volg het dievenspoor,
met schooiers en soldaten,
hun petten op één oor.
Ik til mijn rokken op
en lach naar iedere man
die in het donker wel durft
wat overdag niet kan
en bij nacht in de kroegen hier,
gaat mijn naam in ’t rond
bij het blond schuimend bier:

Malle Babbe komt, Malle Babbe is hier
lekker stuk, malle meid,
lekker dier van plezier
Malle Babbe is rond, Malle Babbe is blond,
een zoen op je mond,  Malle Babbe,
je lekkere …

Ik ken ze een voor een,
de heren van fatsoen,
ik zal ze nooit vergeten,
zoals ze mij wel doen.
Hoe vaak heb ik zo’n kop,
Bezopen, stom en geil,
niet aan mijn borst gedrukt
mijn lijf nat van z’n kwijl;
en bij nacht in de kroegen hier,
gaat mijn naam in ’t rond
bij het blond schuimend bier:

Malle Babbe komt, Malle Babbe is hier
lekker stuk, malle meid,
lekker dier van plezier
Malle Babbe is rond, Malle Babbe is blond,
een zoen op je mond,  Malle Babbe,
je lekkere …

En zondags in de kerk,
dan zit daar zo’n meneer,
stijf als een houten plank,
met spijkers in z’n kop
te kijken in z’n bank,
een zwart lakens pak aan z’n zondige lijf,
bang voor de duivel en bang voor z’n wijf.
En zuinig één cent in het zakje doen:
zo koopt ‘ie z’n ziel weer terug
en z’n fatsoen
en ik moet ergens staan,
in het donker achteraan,
zoals het hoort.

Maar eens dan komt de dag,
dan luiden ze de klok,
dan draag ik witte bloemen
en linten aan m’n rok
Dan zal ik met mijn man
gearmd de kerk uitgaan,
wat zullen ze dan kijken,
daar denk ik altijd aan….
Als ik ’s avonds de kroeg versier
en mijn naam gaat rond
bij het blond schuimend bier:

Malle Babbe komt, Malle Babbe is hier
lekker stuk, malle meid,
lekker dier van plezier
Malle Babbe is rond, Malle Babbe is blond,
een zoen op je mond,  Malle Babbe,
je lekkere …

Lennaert Nijgh

Advertenties