Die éne doen keren – Ida Gerhardt

on

Dood is een deel van het leven, dood is een deel van de poëzie. Er zijn veel gedichten gemaakt over de dreiging van de dood, de troost van de dood, het afscheid nemen van geliefden. Populair gezegd: het thema ‘dood’ leeft nogal en ik heb daar ook eerder over geschreven. Dat is niet iets van de laatste tijd. Joost van den Vondels zoontje Constantijn overleed in het jaar dat hij werd geboren, 1632. Hij dichtte in rouw: “Constantijnt je, ’t zaligh kijntje / Cherubijnt je, van om hoogh, / D’ydelheden, hier beneden, / Vitlacht met een lodderoogh.” De nuljarige is het leven direct ontstegen en kijkt met een alwetende blik naar die suffe ploeterende stervelingen die nog even moeten… Het heeft Joost en zijn familie vast troost gegeven.

Er zijn diverse bloemlezingen gemaakt met de dood als centraal thema. Stassijns en Van Strijtem verzamelden er 300 uit de internationale literatuur bijvoorbeeld. Passende titel: Het laatste anker. Daarin vinden we ook een gedicht van Ida Gerhardt: ‘De gestorvene’. In de NRC top uit 2000 eindigde dit gedicht op de derde plaats, vlak achter Nijhoffs ‘De moeder, de vrouw’ en Marsmans ‘Herinnering aan Holland’. Hoewel Ida Gerhardt zeer populair is in de openbare ruimte, geldt dat wat minder voor dit gedicht, dat komen we nog maar één keer tegen buiten. In Bovenkarspel! In de buitenlucht is Het Carillon populairder.

Zelfs Gerrit Komrij ontdekte het gedicht ‘De gestorvene’ pas later. In Komrijs bloemlezing uit 1979 staat het gedicht nog niet, in die van 2004 wél… Hij gebruikte het gedicht in 2003 zelfs voor de titel van de bloemlezing van het werk van Ida Gerhardt . In een van zijn NRC-columns, verzameld in In Liefde Bloeyende [Komrij 1999] gaat hij er dieper op in. Hij sluit af met de woorden: “Ik ken geen gedicht dat zó het onbenoembare gevoel van onherroepelijkheid onder woorden weet te brengen. De dichteres is eenzaam, groot en sterk – en toch zo kwetsbaar, zo helemaal niets, zo afhankelijk van één, één iemand. Ze eist alles – en ze is een en al ontbering, Ze staat in haar kolossale kwetsbaarheid voor de hele wereld tentoongesteld, uitgekleed, naakt als haar gedicht.
Want dit alles is ook nog eens een wonder van eenvoudige taal. Alles erin is bezwering, rite, gebed – en toch komt er geen zogenaamd dichterlijk woord in voor. Met de karigste middelen wordt het hevigste hier gezegd – niet over de dood, let wel, maar over de liefde.”

Het gedicht is op muziek gezet door Antoine Oomen en uitgevoerd door Trijntje Oosterhuis begeleid door gitarist Leonardo Amuedo tijdens akoestische concerten in De Rode Hoed. Blue Note heeft nummers van deze concerten op cd gezet in 2008 op het album Ken je mij.

 

Het gedicht is niet heel ingewikkeld, Komrij zei het al, er komt geen ‘dichterlijk’ woord in voor. De ‘mij’ in het gedicht wil alles doen om de gestorvene weer tot leven te brengen, nee, uit de dood laten keren.

Op de kade van de IJssel in Zutphen staat Ida Gerhardt te staren in de verte…

In het gedicht is veel aandacht voor het getal zeven. Misschien goed dat we ons eens in dat getal verdiepen. Waarom niet ‘vijf’? Logisch, dat heeft maar één lettergreep. Oké, maar dat argument gaat mooi niet op voor ‘negen’… Waarom hechten we allemaal zo aan zeven? In de numerologie is priemgetal 7 een geluksgetal, vermoedelijk omdat twee heilige getallen 3 en 4 samen opgeteld nóg heiliger worden. De wereld werd geschapen in zeven dagen, want de rustdag tellen we gewoon mee. Er zijn zeven sacramenten en zeven hoofdzonden volgens de Rooms-Katholieke Kerk. Het do-re-mi kent zeven tonen. Sneeuwwitje ontmoette zeven dwergen en Klein Duimpje verplaatste zich op zevenmijlslaarzen. De beroemdste spion ter wereld had als geheime code 007, waarbij de dubbele nul betekende dat de spion toestemming heeft om mensen te doden, maat dat staat los van de zeven. Als we de twee ijskoude delen noord en zuid meerekenen zijn er zeven werelddelen tussen de zeven zeeën. Regenbogen worden onderverdeeld in zeven kleuren. Er zijn zeven schoonheden. Bij de dobbelsteen is de som van de stippen op twee tegenover elkaar liggende vlakken steeds zeven (1+6, 2+5 en 3+4).

Het woord ‘zeven’ komt net niet zevenmaal voor in het gedicht. Het verschijnt zes keer. Hier en daar in combinatie met ‘zeeën’ waardoor we een krachtige alliteratie hebben. Het gedicht kent twee strofen met als rijmschema abbaa accaa, waarbij de a een mannelijk rijm is en de b en de c vrouwelijk. Er zitten veel fraaie binnenrijmen in het gedicht: lachend te wachten, kleren – deren, zeeën – tweeën. Bezwerende en krachtige taal, zegt Komrij, en dat op het gevaarlijke af: “Dit is poëzie op het scherp van de snede, Eén verkeerde beweging en ze slaat om in het ridicule, één misvatting en ze kan gemakkelijk belachelijk worden gemaakt. (…) Dat zo’n hoge inzet geen moment de spotlust oproept komt doordat dit vertoon van sterkte zo overduidelijk een schrijnende wond camoufleert, zonder dat de dichteres het verder over enige verwonding heeft.” Komrij zegt hier: als je pijn voelt, vermijd dan het woord ‘pijn’ in je gedicht en laat voelen waar de pijn vandaan komt zodat de lezer die pijn als vanzelf gaat beleven.

DE GESTORVENE

Zeven maal om de aarde gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zevenmaal om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde gaan.

Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan –
zeven maal, om met zijn tweeën te staan.

Ida Gerhardt

(Uit de bundel De Slechtvalk uit 1966)

Advertenties