De beste 2100 gedichten (2/2)

on

De verschillende samenstellers van de VSB100-bloemlezingen hadden maar een paar regels waaraan ze zich moesten houden: de opgenomen gedichten moesten binnen een bepaalde periode zijn verschenen en de bundel moest 100 gedichten bevatten. Niet 99, niet 101, gewoon 100. De variatie zit er in dat de ene samensteller zoveel mogelijk bundels in het spotlicht plaatst en dus weinig gedichten per bundel opneemt en de andere samensteller de beste bundels ook de meeste zendtijd geeft. Voor allebei de varianten is wat te zeggen. Hoe dan ook het verschil in het aantal bundels dat kan voorkomen in een VSB100-bloemlezing loopt van 26 tot 71. In schema:

Aantal opgenomen dichtbundels in de bloemlezingen.

De VSB100-reeks besteedt zo aandacht aan 971 dichtbundels die zijn verschenen vanaf 1996. Deel dat door het aantal jaarbloemlezingen (21) en je komt uit op een gemiddelde van iets meer dan 46 dichtbundels per bloemlezing. Wat kun je met deze informatie? Helemaal niets en toch wil uw reisgids door Rijmrijk u deze informatie niet onthouden. Zit er een logica in deze cijfers uitgezet in een grafiek? Ik zie hem niet en dat betekent dat de samenstellers zich (hulde!) niets hebben aangetrokken van elkaar.

Een overzicht over het geheel van de 21 bloemlezingen laat ook zien dat de ene dichter vaker publiceert dan de ander. Van Piet Gerbrandy zijn maar liefst negen bundels gedichten overgenomen in de VSB-2100 en zo zijn er 29 gedichten van hem opgenomen. Absolute koploper met 33 gedichten in alle bloemlezingen samen (= 1,6% van het totaal aan gedichten) is Nachoem M. Wijnberg. Acht bundels leverden deze gedichten:

Jaar in titel Titel bundel van Nachoem M. Wijnberg Aantal opgenomen gedichten
1996 Geschenken  4
1998 Alvast 3
2001 Vogels 5
2004 Eerst dit dan dat 5
2006 Liedjes 6
2008 Het leven van 4
2015 Nog een grap 2
2017 Van groot belang 4

Wijnberg als de meest voorkomende dichter in de VSB100-reeks is best bijzonder, want het is geen ‘gemakkelijke’ dichter. Er gebeurt van alles in zijn werk, boeiend om te lezen en te herlezen, maar je hebt regelmatig het gevoel dat je voor een raadsel staat. Een fraai raadsel, maar desalniettemin een raadsel. Laten we eens kijken naar een gedicht uit de bundel De 100 beste gedichten gekozen door Francine Houben voor de VSB Poëzieprijs 2017. Gedicht 1996 in de VSB-nummering. De gedichten van Wijnberg zijn snel te vinden, want door de alfabetische volgorde van de naam van de dichter staat zijn werk bijna achteraan, slechts gevolgd nog door gedichten van Zuiderent en Zwagerman. De vier gedichten komen uit Wijnbergs bundel Van groot belang die als ondertitel had mogen hebben Van grote omvang want hij telt 256 bladzijden… Bloemlezingen hebben veel voordelen, maar ook een groot nadeel: ze rukken gedichten uit hun context . Opbouw en thematiek van een hele bundel kan helpen bij het lezen van een gedicht, die hulp ben je kwijt in de bloemlezing. Lees de recensie van Hans Puper over deze bundel in Meandermagazine als je meer wil lezen over Van groot belang.

Wat kan er zoal staan in het gedicht ‘Hoe we bestuurders voor de stad vinden’? De sleutel zit in de eerste regel, er wordt een plan voorgesteld. Niet het eerste, het is er een uit een reeks, ‘nog’ een plan. Een plan waartoe? Een plan om bestuurders te vinden suggereert de titel. En dat zijn niet mensen die de stad besturen, bestuurders van de stad, maar bestuurders voor de stad. Ieder woord telt in een gedicht. Er moet iets gebeuren voor de stad, er moeten eigenlijk theaters in komen, maar hoe krijg je dat voor elkaar? Het lijkt of een paar economen met elkaar om de tafel zitten om daar iets op te vinden: als we nu dit stimuleren, dan reageert de samenleving als volgt en dat zetten we dan weer in…

Dit plan wordt gewoon uitgelegd in het gedicht. Geef de rijken heel veel macht! Zij willen dat uitstralen en gaan dingen laten bouwen die hun reputatie vasthoudt, ook na hun dood (als zij in de grond liggen, aldus de hint). Wat er in die theaters is te zien, mogen zij ook helpen bepalen en zelfs wie er rollen in krijgen. De stukken zullen wel fraaier zijn dan de werkelijkheid (‘in rijm zijn’) en van de spelers wordt alleen maar verwacht dat zij hun rol kunnen onthouden. Tot aan de laatste strofe is het allemaal niet ingewikkeld, wel een beetje vreemd. De laatste strofe maakt een zijstapje. Het geeft een overpeinzing. We leren hier dat in de wereld van dit gedicht de goden een theater nodig hebben om op te stijgen. Landen kunnen ze ook wel elders blijkbaar. Zijn de goden dezelfde als de machtige rijken? Zorgen de rijken er zo voor dat zij als goden worden gezien door het volk? Of bestaan er én goden én machtige rijken. Dat is niet meteen duidelijk, vind ik, en daar zit het haakje om het gedicht nog eens te lezen en over een maand nog eens en over een jaar opnieuw. Misschien wordt het je dan opeens helder of misschien blijft dit altijd een beetje hangen en houd je als lezer altijd een poëtisch verband tussen rijkdom en godendom.

Hoe we bestuurders voor de stad vinden

Nog een plan: de rijken
zoveel macht geven
dat zij willen dat die herinnerd wordt
en theaters laten bouwen
die naar hen genoemd worden.

Want als je meer macht hebt
dan wie ook
over wie je gehoord hebt
wil je laten zien dat je nog steeds op zoek bent
naar een manier dat het niet ophoudt.

Een hint: op een hoge plaats staan
en over al het land kijken
is het tegenovergestelde van in de grond liggen.

De rijken mogen zelf ook de toneelstukken schrijven,
wees niet verbaasd als alle toespraken
in rijm zijn.

Zij mogen ook hun jongens en meisjes
rollen geven, zolang ze die uit hun hoofd
kunnen leren.

Je loopt door een kleine stad en denkt:
en waar moeten de goden landen
en waar is het theater
waar ze heen kunnen
om weer op te stijgen?

Nachoem M. Wijnberg

Advertenties