Kleddernat en ladderzat – Tom Lanoye

Poëziegeschenken van 2015 tot en met 2018

Hij is mooi vormgegeven, maar wel een beetje dun. Toegegeven, de bundel is gratis en je mag een gegeven paard niet in de mond staren, maar iets meer dan 16 pagina’s had best gemogen. Tom Lanoye, Vlaams auteur en dichter, schreef vrij – wij? als poëziegeschenk in de poëzieweek van 2019. ‘Nieuwe gedichten’ is de ondertitel om de lezer ervan te overtuigen dat hij niet met tweedehands of verlopen goederen te maken heeft. Tegelijkertijd verscheen er namelijk een verzamelbundel met reeds gepubliceerd werk van Tom Lanoye: De meeste gedichten brengt zijn ‘beste verzen in één band bijeen’, aldus de uitgever. Twee bundels schreef hij, maar ook veel dichtwerk dat niet werd gebundeld. Hij was de eerste stadsdichter van Antwerpen en heeft poëzie vertaald uit de Eerste Wereldoorlog, zij het op een hele vrije manier. Ook de toneelstukken van William Shakespeare zette hij op een eigen wijze naar zijn hand. 
Het poëziegeschenk van 2019 bevat zeven gedichten en één daarvan is een bewerking van een sonnet van Shakespeare. Veel sonnetten van het genie van Stratford-upon-Avon zijn genummerd. Lanoye is in de weer geweest met nummer 134 en dat is niet een liefdessonnet in de traditie waar Shakespeare er veel van maakte. Deze gaat over het vast zitten in verplichtingen, over onvrijheid. Een mooie aanleiding voor Lanoye om er iets mee te doen, want het thema van de poëzieweek in 2019 is ‘vrijheid’. En zelfs de bewerking straalt vrijheid uit als Lanoye aangeeft: keivrij naar shakespeares ‘sonnet nr 134’… En zelfs voor de beginnende lezer van gedichten is het duidelijk dat de eerste sonnetwet van 14 regels wordt genegeerd.

Sonnet 134

So now I have confessed that he is thine,
And I myself am mortgaged to thy will,
My self I’ll forfeit, so that other mine
Thou wilt restore to be my comfort still.

But thou wilt not, nor he will not be free,
For thou art covetous, and he is kind,
He learned but surety-like to write for me,
Under that bond that him as fast doth bind.

The statute of thy beauty thou wilt take,
Thou usurer that put’st forth all to use,
And sue a friend, came debtor for my sake,
So him I lose through my unkind abuse.

Him have I lost, thou hast both him and me;
He pays the whole, and yet am I not free.

William Shakespeare

Zijn we wel vrij? Die vraag vormt de basis van de titel van de bundel… Het gedicht ‘Ongegronde eigendom’ speelt een rol bij de beantwoording van de vraag. En net als in het gedicht van William S. uit S-u-A. komen er allemaal termen voor in het gedicht die ook worden gebruikt bij financiële transacties: bezit, wissel, onderpand, afschrijven, de markt, profijt, tekort, garant staan, failliet. In het gedicht komen drie personen voor: de ‘jij’, de ‘hij’ en de ‘ik’… De ‘jij’ is de slechterik die op de een of andere manier macht uitoefent. Hoe? Dat is niet helemaal duidelijk. Niet bij Shakespeare en niet bij Lanoye.
De ‘hij’ is de geliefde van de ‘ik’, de hartendief. Deze heeft zich opgeofferd voor de schulden van de ‘ik’. De hartendief is eigendom geworden van de woekeraar, waarmee in letterlijke zin de woekeraar het hart heeft gestolen. Door de opoffering van de geliefde ‘hij’ is de ‘ik’ bevrijd van een schuld, maar eigenlijk ook weer niet want hij is zijn geld én zijn liefde kwijt. De vierde strofe staat niet voor niets een stukje naar rechts. Het is een uitbarsting van emotie, een scheldpartij in de richting van de woekeraar. Bijzonder daarbij is de zin over ‘jouw schoonheid’. Gaat het wel over financiële zaken? En hoe aardig is de ‘ik’? De schat (in twee betekenissen) is door de ‘ik’ behoorlijk egoïstisch gebruikt: hij heeft de oogst ‘uitgeperst en leeggezogen’. En die schat ging zelf weer de (liefdes)markt op. En wat te denken van de dubbelzinnige afsluitende regels? Een breidel is een leidsel zoals we die voor paarden gebruiken…

ONGEGRONDE EIGENDOM

(keivrij naar shakespeares ‘sonnet nr 134’)

Hierbij erken ik: hij werd jouw bezit.
En ik? De wissel op jouw willekeur.
Het onderpand van jouw vijandig bod.

Ik delg mezelf, dat wel. Ik schrijf me af.
Opdat de schat die ik bezat — van wie
Ik vrat, van wie ik kleddernat en ladderzat
De oogst heb uitgeperst en leeggezogen —
Opnieuw de markt betrad. Tot jouw profijt
En mijn gewin aan troost en mededogen.

 

Maar jij, de dwingeland, biedt hem niet aan
En hij, mijn hartendief, mag zich niet slijten.
Hij staat bij jou voor mijn tekort garant
En wordt voorgoed beboet voor dat tegoed.

Jij woekeraar, jij beurzensnijder — beul!
Jouw schoonheid zet een mes op ieders keel.
Jij staat voor niets en vordert alles, zelfs
Een vriend die schuldenaar uit liefde werd.
Je legt hem vast, je lost hem niet en zo
Word ik twee keer gestraft voor één failliet:

Hem ben ik kwijt, maar jij bezit ons beiden.
Hij dokt zich rot, maar kan zich nooit bevrijden.

(zijn breidel hoort mij toe —
maar jij blijft hem berijden)

Tom Lanoye

Luister hoe Tom Lanoye dit gedicht voorleest:

Advertenties