Weemoedigheid die niemand kan verklaren

We spreken in deze tijd over Willem Elsschot als een schrijver die je zeker gelezen moet hebben. Er is breed en diep waardering voor zijn romans, zoals Villa des Roses, Kaas of Lijmen. De humor, de spaarzaamheid met de taal, het moderne taalgebruik in een tijd dat dat nog niet aan de orde was. Die waardering van nu is er niet altijd geweest. Elsschot was een pseudoniem voor de Antwerpse reclameman Alphons De Ridder die leefde van 7 mei 1882 tot 23 mei 1960. Zijn geld verdiende hij op kantoor en hij liep op geen enkele manier te koop met zijn literaire ambities. De waardering van nu was toen niet zo vanzelfsprekend, veel van zijn boeken werden nauwelijks verkocht.  Willem Elsschot is ook de dichter van  een van de beroemdste gedichten en een van de meest gewaardeerde gedichten uit het Nederlands taalgebied: Het Huwelijk. Inderdaad het gedicht waarvan één regel te pas en te onpas wordt geciteerd: ‘want tussen droom en daad / staan wetten in den weg en praktische bezwaren’.

Iets ongehoords ontdekt

Zijn schrijverschap werd ook thuis zodanig verzwegen en verstopt dat dochter Ida er pas op de middelbare school achter kwam dat haar vader meer deed dan naar kantoor gaan. Ida De Ridder, geboren in 1918, was de jongste dochter en ook degene die later is gaan schrijven over haar vader en moeder. In 1994 verscheen Willem Elsschot, mijn vader en daarin lezen we dat zij de naam van haar vader tegen kwam in een bloemlezing die op het lyceum waar zij naar school ging veel werd gebruikt.

‘Ik was ontzet, voelde me alsof ik iets ongehoords had ontdekt. Want als niemand tegen mij ooit over Elsschot had gesproken, was het omdat vader niet wilde dat zijn kinderen hier weet van hadden. Ik bewaarde mijn geheim, zorgvuldig, maar mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Ik ging thuis op zoek naar zijn boeken. Er was niet één exemplaar te vinden. Ten slotte belandde ik op onze scheerzolder, waar nooit iemand kwam. Hier werd zelfs niet schoongemaakt, want hij was slechts toegankelijk met een ladder via een luik. Tussen oude rommel, bedolven onder stof en spinrag, vond ik een stapeltje Elsschot-boeken in een hoek en een zwart-gekartonneerd schrift met verzen in zijn nette handschrift. Zo angstvallig wordt alleen een misdaad verborgen.’

Ida smokkelt de buit naar haar kamer en begint te lezen maar Lijmen vindt ze te saai. De verlossing sprak haar wel aan, Villa des Roses vond ze gruwelijk. ‘Een ontgoocheling vond ik het leukste, al schokte de bordeelscène me behoorlijk.
De gedichten dan. Sommige vond ik wel goed, maar bij het lezen van ‘Het huwelijk’ kleurde ik, want ik dacht dat het over mijn moeder ging. Enkele weken na mijn ontdekking droeg de lerares Nederlands mij op een spreekbeurt te houden over Elsschot, terwijl de andere leerlingen hun auteur zelf mochten kiezen. “Jij zult wel een paar interessante dingen kunnen vertellen over je vader,” voegde zij eraan toe. Het was dus toch geen geheim. Ik vond het beschamend dat de waarheid zo tactloos werd onthuld en nog wel tijdens de les. Ik haalde het zwarte cahier te voorschijn, kopieerde ‘De zee’ en luisterde aldus mijn spreekbeurt op met een onuitgegeven gedicht van de schrijver. Een pluspunt!’

Is Willem Elsschot wel dichter?

De analysebundel Willem Elsschot. Dichter.  is verzorgd door Koen Rymenants & Carl de Strycker. De auteurs hadden graag een vraagteken achter de titel gezet, want dat is wat zij onderzoeken. Elsschot heeft vooral zijn faam te danken aan zijn proza. Van zijn gedichten is Het Huwelijk een monument geworden, maar de rest was vast in de vergetelheid geraakt als Elsschots naam er niet aan was verbonden. In Pfeijffers bloemlezing van 2016 komt Willem Elsschot niet eens voor en dat is gek omdat hij in zijn inleiding aangeeft toch ook wat gedichten opgenomen te hebben die dan wel in zijn ogen ‘objectief slecht’ zijn, maar die zo bekend zijn ‘dat ze tot ons collectieve poëtische geheugen zijn gaan behoren’. Dat geldt natuurlijk zeker voor Het Huwelijk! En in de canon van de Europese poëzie met ‘500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben’, die Pfeijffer samenstelde met Gert Jan de Vries uit 2008, komt hij wel voor. En terecht!

Uit: ‘Dicht bij Elsschot’ van Wieneke ’t Hoen

Kijken we naar de omvang van Elsschots dichterlijke oeuvre: mijn exemplaar van Elsschots Verzameld Werk bestaat uit 770 pagina’s. Daarvan zijn er 27 gevuld met poëzie. Dat is minder dan 4%! De samenstellers op pagina 11: “Dat Elsschot enkele klassiek geworden, vaak gebloemleesde gedichten schreef én een aantal onsterfelijke regels aan het taalgebruik toevoegde, is des te opmerkelijker omdat hij eigenlijk maar één dichtbundel publiceerde. In zijn oorspronkelijke vorm – Verzen van Vroeger (1934) – bestond die uit slechts tien gedichten, de definitieve versie – het deel Verzen (2004) in de wetenschappelijke editie van het Volledig werk – telt er nauwelijks meer dan twintig. Al met al blijft Elsschots poëzie dus de bijvangst van een prozaïst.

In de analysebundel worden alle gedichten van Elsschot stuk voor stuk behandeld en men gaat dan stevig de diepte in. Het artikel over Het Huwelijk van Paul Claes, zelf dichter, is zwaar op de hand en dat terwijl het drie grappig bedoelde bewerkingen behandelt. Adriaan van Dis, Kees van Kooten en Tom Lanoye schreven gedichten met een duidelijke verwijzing naar het origineel. Ze worden gemangeld door Claes: onbeholpen alexandrijnen, platheid, oubollige leukigheid, stroef en clichématig, een kaakslag voor de subtiele stilist Elsschot, ongelukkige wendingen. Claes: “Het is een pikant experiment de kwaliteit van het model aan te tonen door het te vergelijken met de imitatie. De beste strofe van Lanoye is de vijfde, waarin maar één woord is veranderd.” Handen af van meester Elsschot, zelfs een geintje wordt niet gewaardeerd…

The marriage

Paul Vincent en John Irons verzorgden in 2015 een bloemlezing met honderd gedichten uit het Nederlands taalgebied die het verdienden om vertaald in het Engels een bredere bekendheid te krijgen. Gedichten vanaf de 11e eeuw tot nu. Van Hendrik van Veldeke tot Lieke Marsman… Daar hoort Elsschots ‘Het Huwelijk’ natuurlijk ook bij, voorzien van een Engelse vertaling door Paul Vincent. En hiermee hebben we dan weer een mooi voorbeeld van de uitdrukking: poëzie is dat wat verloren gaat bij een vertaling. De regels die zo vaak zijn geciteerd uit het origineel met de tweevoudige alliteratie zijn zo veranderd dat de betovering is verarmd: want tusschen droom en daad / staan wetten in de weg en praktische bezwaren wordt: as giving dreams their head / raises both practical and legal snags.

The Marriage

Perceiving how the creeping mistst of age
had left the sparkle in his wife’s eyes quenched,
her cheeks all worn, her forehead deeply trenched,
het turned away and fumed in helpless rage.

Furiously tugging at his beard he’d swear
survey her, with no passion left to feel,
see sin once splendid turn to an ordeal,
while she gazed up like some poor dying mare.

She would not die; though like a friend from hell
he sucked het marrowbones, they’d still not crack.
Afraid to whine, beseech or answer back,
she shook with fear, yet stayed alive and well.

He thought: I’ll kill her, set the house ablaze.
I’ll wash the mildew off my stiffening frame,
escape through water and through cleansing flame,
and find new love, new pastures I can graze.

And yet he didn’t kill, as giving dreams their head
raises both practical and legal snags,
and, puzzingly, one’s spirit always flags
when evening comes and it is time for bed.

His children grew, as year on year passed by,
and saw how the man whom they called their sire
sat motionless and tight-lipped by the fire
with godforsaken grimness in his eyes.

De techniek van Het Huwelijk

Elsschots gedicht heeft een strakke vorm, het rijmt en het heeft een regelmatig metrum van zes jamben per regel en dat noemen we dan een alexandrijn: de zesvoetige jambe. Een groot verschil met de vijfvoetige jambe is dat een zesvoetige zich gemakkelijk laat delen in twee stukken. Maar doodslaan deed hij niet, in cursief de lettergrepen die nadruk krijgen, de klemtoon, is een losse eenheid. Daarna komt de tweede helft: want tusschen droom en daad. De zin is nog niet af en dus gaan we snel door naar: staan wetten in den weg. De dichter is op de helft van deze regel, daar kan nog iets bij: en praktische bezwaren. De laatste lettergreep van ‘praktische’ krijgt ook nadruk in het metrum, maar dat lezen we niet te hard voor, want dat is gek. We zien ‘omarmend’ rijm, in schema abba, zoals in de eerste strofe: tijd, doven, doorkloven en spijt. Afwisselend mannelijk en vrouwelijk rijm: mannelijk krijgt één krachtige lettergreep aan het einde, bij vrouwelijk komt er nog iets achteraan: wassen, plassen, dragen, klagen. En Elsschot was ook niet zuinig met rijm aan het begin van woorden. We zien veel fraaie voorbeelden van stafrijm, ook wel alliteratie genoemd: vrouw, vonken, verweerd, voorhoofd, vrat. En later, bij de beroemdste regels: droom, daad en verderop: wetten, weg, weemoedigheid. Onbewust leggen al die overeenkomende beginletters een verband in het hoofd bij de lezer.

Het is geen moeilijk gedicht. We kijken in het hoofd van iemand die teleurgesteld is in de lange termijn verbinding die hij is aangegaan. Fysiek takelt zijn echtgenote af, de seks (‘de grootsche zonde’) wordt een verplichting en niet een bevrijding. Graag zou hij opnieuw beginnen met ‘een ander lief in eenig ander land’. Maar wensen en uitvoeren zijn twee verschillende dingen, zo leren ons de bekendste regels van het gedicht en hij trekt zich steeds verder terug in zichzelf: een boze bittere man bij de haard in de ogen van zijn kinderen.

Beschreef Willem Elsschot / Alfons De Ridder zijn eigen huwelijk? Dat denkt niemand. Hij schreef het gedicht in 1910 en toen was hij nog maar twee jaar getrouwd. Hij had nog nauwelijks schimmel en zijn voeten waren nog niet zo stram. De Ridder was een onrustige jongen: hij had zijn middelbare school niet afgemaakt, hij vond het heerlijk om door de stad te zwerven. Zijn baantjes varieerden nogal. Hij werkte in Parijs, waar hij woonde in een pension dat de inspiratie vormde voor zijn eerste roman ‘Villa des Roses’. Hij kwam daarna terecht in Rotterdam waar hij ook ging wonen. Eindelijk was er gelegenheid om te trouwen met de moeder van de zoon die hij al veel eerder had verwekt. Walter werd geboren in 1901. Vergelijk dat met het geboortejaar van Walters jongste zus Ida: 1918. In augustus 1908 trouwde hij met Fiene, de moeder van al zijn kinderen. De vrouw die hij bewonderde zoals hij ook zijn moeder bewonderde… Want ook daar heeft Elsschot een paar fraaie gedichten over geschreven.

Het huwelijk

Toen hij bespeurde hoe de nevel van den tijd
in d’oogen van zijn vrouw de vonken uit kwam dooven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij den baard
en mat haar met den blik, maar kon niet meer begeeren,
hij zag de grootsche zonde in duivelsplicht verkeeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar tòch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wasschen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in eenig ander land.

Maar doodslaan deed hij niet, want tusschen droom en daad
staan wetten in den weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Zoo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man dien zij hun vader heetten,
bewegingsloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke’ aanblik bood.

Willem Elsschot

In de radioserie ‘Zot van Elsschot’ [Donnez, 2010] is Rik Torfs een van de voorlezers van het gedicht.:

Advertenties

Één reactie

Reacties zijn gesloten.