Taal en dood in tijd verdelen – Boudewijn Büch

In oktober werd de prijs uitgereikt voor de beste biografie van de laatste twee jaar. De hoofdprijs ging naar de levensbeschrijving van Jan Wolkers, het eindverslag van het promotieonderzoek van Onno Blom, en niet naar het werk van Eva Rovers: Boud, het verzameld leven van Boudewijn Büch. De deskundige jury heeft daar vast goede argumenten bij gegeven, maar persoonlijk vond ik het boek over Boud minstens even boeiend en misschien wel beter geschreven. Bij het lezen over het leven van Wolkers, kreeg ik enorme zin om zelf Terug naar Oegstgeest weer te gaan lezen en misschien is dat het lot van een biograaf van een goed schrijver. Bij het boek over Büch zat ik vooral een spannende thriller te lezen.

Dat kwam ook door het waarom van de biografie. Het boek moest zorgen voor een zeker herstel van Boudewijns reputatie. Er was na zijn vroegtijdig overlijden veel in de media gezegd over de verzinsels in zijn leven. Daarbij werd zo hard gemept dat Büch in de vergetelheid raakte, niets deugde meer… Eva Rovers kreeg de opdracht van een groep mensen die Büch welgezind zijn om een eerlijk en kritisch verhaal te maken. Als lezer word je meegezogen in die poging. Wat was waar en wat was niet waar over zijn vroeg overleden zoontje en het complexe oorlogsverleden van zijn vader? En wat steekt er achter als iemand zo lang en zo hardnekkig bepaalde ‘fabels’ vasthoudt als motieven in zijn werk. Zo wemelt zijn dichtwerk van verwijzingen naar homoseksuele en zelfs pedoseksuele verlangens. Maar de biografie zet daar vraagtekens bij. Hield Büch toch niet gewoon meer van volwassen vrouwen? Uit de bundel De taal als blauw uit 1977 komen we zo’n gedicht tegen waar verlangend wordt gekeken naar buitenspelende jongens…

A Lover’s Question

grasveld onder groen
en donkerblauw
diagonaal bestaan
wij tussen de kantines
waarom ik toch niet
met je trouw

omdat hier overdag
de jongens korfbal
spelen
die taal en dood
in tijd verdelen

Büch verzon stukken uit zijn leven en zelfs een gevoelsleven om aandacht mee te trekken, een zekere beroemdheid mee te bereiken. Hij was geobsedeerd door grote dichters als Goethe en Bilderdijk en streefde op een romantische manier vergelijkbare roem na. Wellicht iets te weinig door geweldig werk te schrijven en iets te veel door de buitenkant te profileren. Dat zogenaamde ‘fabuleren’ komt vaker voor in de literatuurgeschiedenis. Gerard Reve verzon een hele militaire loopbaan en een adellijke titel en ook nog een persoonlijke relatie met de toenmalige Koningin. Dat was zo overdreven, dat de lezer wel heel naïef moest zijn om dat lang te geloven. Maar de dood van een kind is zoiets emotioneels dat je veronderstelt dat mensen daar niet een stijlmiddel van maken. Maar Büch hield de verzinsels vol, ook tegenover mensen die zichzelf als zijn intieme vrienden beschouwen. Dan is het lastig om niet teleurgesteld te zijn als je medeleven hebt gevoeld met een goede vriend over iets dat nooit is geweest.

In de bloemlezing van Gerrit Komrij van 1977…

De biografie is eerlijk. Alles wat niet waar is, krijgt achtergrond. De biografe leeft mee met de bedrogen vrienden en de gefrustreerde familie. Deze zaken worden niet mooier gemaakt dan ze zijn, maar zij vindt niet dat met het openbaren van alle zaken die niet kloppen de hele mens en kunstenaar Boudewijn Büch moet worden vergeten. Er zijn veel dingen waar hij waardering voor verdiend: zijn enthousiaste manier om zalen en televisiekijkers mee te nemen in de wereld van popmuziek, literatuur en historische plaatsen op de wereld. Zijn enorme kennis van trivialiteiten, weetjes bij belangrijke ontwikkelingen die een extra waarde geven aan het verhaal.

In de bloemlezing van Gerrit Komrij van 2004…

Qua literaire waardering geldt dat De kleine blonde dood over het overleden zoontje van de ‘ik’ nog steeds wordt gelezen. Het is verfilmd en heeft veel lezers ontroerd. Zijn poëzie is wel in de vergetelheid geraakt. Gerrit Komrij had wel iets met dat opgewonden dichtertje uit Wassenaar en plaatste in zijn bloemlezing van 1977 [Komrij, 1977] drie gedichten van Büch… In de inhoudsopgave zien we dat hij daar alleen nog een geboortedatum heeft en een lekker lange dichtersnaam: Boudewijn Maria Ignatius Büch.

In de vervolgbloemlezing [Komrij 2004] is Büchs naam ingekort en is er ook een sterfjaar te lezen. Hij overleed op 54-jarige leeftijd. Nu is er in de bloemlezing ruimte voor vier gedichten waarvan er maar één hetzelfde is als in de eerste bloemlezing. De bloemlezing van Ilja Leonard Pfeijffer die wordt beschouwd als opvolger van Komrij’s [Pfeijffer, 2016], heeft geen enkel gedicht van Büch meer. Ook in andere bloemlezingen kom je hem niet meer tegen.
De biografie laat zien dat Büch niet altijd de rust en de tijd nam om zijn dichtwerk bij te slijpen. Hij liet het graag over aan een vriend als Harry Prick die eigenlijk op eigen houtje een hele bundel drukklaar maakte. Hij was te onrustig om lang te werken aan zijn oeuvre, altijd op zoek naar bijzondere feiten, vaak op reis, gebonden aan de vele columns die hij schreef voor veel verschillende tijdschriften. Uit schrijfdwang maar ook om geld te verdienen, zijn hobby om over de hele wereld bijzondere boeken te kopen, bracht hem een paar keer op de rand van een faillissement. Ook dat is een spannende lijn in de biografie van Büch: gaat hij zich er financieel doorheen slaan of niet?

Die boekenverzameling vulde Boudewijns hele huis. Hij had een timmerman achter de hand die het lukte om de ene kast na de andere te maken en zo ieder hoekje te benutten. Aan die overvolle kamer moet ik denken als ik het gedicht lees met de eerste regel ‘Soms droom ik alle muren leeg.’ Er wordt in het gedicht een relatie gelegd tussen dood en boeken. Ik lees het woord ‘sterven’, het woord ‘doodsniveau’ en er is een verwijzing naar de loden letters die de letterzetter vroeger gebruikte bij het voorbereiden van drukwerk. Voor het woord ‘dood’ heeft de letterzetters maar twee letters nodig, zij het dubbel, de D en de O. In een droom (geen mooie, lijkt het) kunnen de wanden leeg zijn. Weg kijkplezier… De voegen van het huis, de strepen tussen het metselwerk, zij worden gebruikt om de tijd vast te houden. En het woord ‘wonen’ staat niet voor het beschrijven van al die gevulde wanden met boeken, maar wel voor het langzaam vergaan van informatie (uit bestanden). Dat woord ‘wonen’ maakt deel uit van een taal die zich niet klein laat krijgen, die eigenlijk niets met dood te maken wil hebben. En al die boeken die gaan over geschiedenis, gaan over het nu, want dat staat gebeiteld in het huis.

*

Soms droom ik alle muren leeg,
geen tekst, geen regels op papier.
Letterloos en zonder kijkplezier.

Een huis dat in de tijd verzweeg,
dat sterven uit de voegen drijft,
waar wonen niet beschrijft
de woorden zinloos langs de wanden,
maar dakloos de bestanden
vervliegen uit het fundament
van deze loden letters D en O.

Een taal voor neergang resistent,
onwerkzaam op het doodsniveau.
Gebeiteld in dat lege Huis van Leven:
Hier werd verleden nooit geschreven.

Boudewijn Büch

Advertenties