Het woord met het woord verwarren

on

Soms geven dichters ín hun gedichten aanwijzingen óver hun gedichten. Dan vertellen zij in versvorm wat in hun ogen een goed gedicht is. Dat kan handig zijn als je een moeilijke bundel wil doorgronden, dan heb je een kleine handleiding erbij gekregen. Het eerste gedicht in de allereerste dichtbundel van Remco Campert heet ‘Credo’. En daarvan luidt de eerste strofe: ‘ik geloof in een rivier / die stroomt van zee naar de bergen / ik vraag van poëzie niet meer / dan die rivier in kaart te brengen’. In de taal van deze tijd: poëzie is het inzetten van Google Maps om de tegenstrijdige rivier, die eigenwijs tegen de stroom instroomt, vindbaar te maken. Aldus Remco in Vogels vliegen toch uit 1951.

In 1955 deed hij het nog eens over in de bundel Het huis waarin ik woonde met een gedicht dat een tophit werd en veel bloemlezingen bereikte, getiteld ‘Poëzie is een daad’. De regels ‘Poëzie is een daad / van bevestiging. Ik bevestig / dat ik leef, dat ik niet alleen leef’ werden zo vaak geciteerd dat Campert later zelf een reactie schreef onder de titel ‘Tegen opname in de zoveelste bloemlezing’ en daarvan luidt de eerste strofe: ‘Poëzie is een daad / van ontkenning. Ik ontken / dat ik leef, dat ik niet alleen leef.’ En de rest van het gedicht ontkent alles wat in het oorspronkelijke stond… Komrij heeft in de bloemlezing van 2004 allebei de versies opgenomen. De ene als eerste, de reactie als laatste. Hij heeft zich lekker niets aangetrokken van de titel.

En dan die andere Vijftiger, Lucebert, ook hij voelde de behoefte om zijn lezers wat aanwijzingen te geven om de nieuwe, ongrijpbare poëzie beter te begrijpen of tenminste te voelen.  Hij legt uit wat hij doet als hij gedichten schrijft: ‘ik tracht op poëtische wijze / dat wil zeggen / eenvouds verlichte waters / de ruimte van het volledig leven / tot uitdrukking te brengen’.  Hele bekende regels voor poëzieliefhebbers, vaak geciteerd. Zo vaak dat de dichter niet eens meer wordt genoemd, die mag bekend worden verondersteld. Niet de verstarring, niet de beperking, Lucebert zoekt in zijn gedichten ‘de ruimte van het volledig leven’… Dat was in 1952, het jaar waarin de bundel apocrief / de analphabetische naam met dit gedicht verscheen, iets wat echt nieuw was en werd gevoeld als een revolutie. 

Een gedicht over poëzie noemen we een poëticaal gedicht. Ook Gerrit Kouwenaar heeft een dergelijk gedicht gemaakt. Wie in Nunspeet rondwandelt achter schouwburg Veluvine komt het gedicht levensgroot tegen op een Nutshuisje. Nunspeet heeft een traditie waar het gaat om muurgedichten, en men was al toe aan de 40-ste! Oud bestuurslid Ben van Wendel de Joode werd uitvoerig bedankt voor zijn inzet voor cultureel Nunspeet. Er kwam een boom, een bank en een muurgedicht.
Allemaal vlakbij elkaar hoewel je vanaf het bankje je eigen versie mee moet nemen van het gedicht omdat je er met de rug naar toe zit. Een mooi eerbetoon al vind ik het wel een beetje een achteraf plekje zo op de parkeerplaats voor personeel en technische staf. Het gedicht op de muur is door de heer Wendel de Joode zelf gekozen en daarom kan iedereen in Nunspeet nu kennis nemen van Kouwenaars uitleg over zijn poëzie. Het gedicht stamt uit 1958.

Wat staat er in het gedicht? We zien dat het bestaat uit vijf strofen waarvan de laatste nog maar één regel heeft. Strofe 1 en 4 lijken veel op elkaar. Strofe 1 bevat een bewering over wat de ik heeft nagestreefd, strofe 2 en 3 vertellen wat er intussen allemaal gebeurde en waar de ‘ik’ zoal mee te maken kreeg. Strofe 4 herhaalt nog even waar de ‘ik’ zich op heeft gericht. Het staat er niet expliciet maar we nemen aan dat de ‘ik’ zijn ambities nastreeft in zijn gedichten. Net zoals Campert die een tegendraadse rivier in beeld wil brengen, wil Kouwenaar, sorry de ‘ik’ ook dingen doen waarvan wij zeggen: dat kan eigenlijk niet. Tenminste als je er op een puur fysieke wijze naar kijkt. Maar als je ‘vuur’ nu eens niet ziet als vlammetjes, maar meer als iets dat samenhangt met passie, gedrevenheid, kracht, dan ontstaan er mogelijkheden waarbij het streven misschien toch ergens heen kan leiden. Taal kan iets dat andere dingen niet kunnen en ieder gedicht bewijst dat .

Let even op de eerste zin. Als je hem zo in een opstel zet, worden er rode strepen doorheen gezet, want het is slecht taalgebruik. Bij het woord ‘trachten’ hoort niet dat je ‘naar iets tracht’. Ziehier het voordeel van het dichter zijn, want in een gedicht mag alles, mits er iets mooiers mee wordt bereikt. De constructie ‘naar iets zoeken’ kan wel en het lijkt erop dat de dichter een soort combinatie maakt waarbij trachten en zoeken als waterverfkleuren in elkaar overlopen.

Dat gebeurt vaker in het gedicht, bijvoorbeeld als de zon wordt neergezet als een ‘dag vol wespen’. Je leest het, je voelt dat het klopt en niet klopt tegelijk. Een zonnige dag waarbij de wespen irritant je limonadeglas in willen kruipen, kennen we maar al te goed. Kouwenaar maakt dat compacter en zet je even op het verkeerde been waardoor je goed moet blijven denken onder het lezen. De tweede strofe vertelt zo dat het leven doorgaat met al zijn obstakels, terwijl je druk bent met het uitzoeken hoe je stenen zacht kunt maken. De derde strofe geeft de bijzondere momenten aan, de momenten waarop er verwarring was en zaken in elkaar over lopen. Verwarring over wie nu de ‘ik’ is, de afspiegeling (schaduw) van mij of ikzelf. Het ene woord is het andere woord niet en woorden kunnen ook iets anders betekenen. Bedenk dat voor Kouwenaar er een verschil is tussen het woord stoel en het object waar je met je billen op kunt zitten. Voor de meeste mensen zijn werkelijkheid en de verwoording van de werkelijkheid in elkaar over gegaan, maar niet bij Gerrit Kouwenaar. Zo ontmoeten we allemaal redenen om in verwarring te raken. Maar ondanks dat en andere moeilijkheden hield de ‘ik’ vol om stenen zacht te maken, vuur te maken uit water en regen te maken uit dorst.  De laatste regel heeft iets triomfantelijks: de ‘ik’ wilde regen maken uit dorst en nu regent het toch maar mooi.

Dit is geen simpel gedicht. Dit is een gedicht dat je over veel dingen na laat denken. De dichter wil dingen maken: zachte stenen, vuur en regen. Dat laatste lijkt te lukken lezen we in de laatste regel. Is de regen dan het gedicht zelf? Lukt het de ‘ik’ om met woorden te trachten zijn doelen te halen? Er zijn na dit gedicht nog veel meer gedichten verschenen, dus de dichter heeft de moed niet opgegeven. De dorst stimuleert zijn schrijven. En wij kunnen het lezen. Heel groot zelfs. Als je naar Nunspeet reist en op zoek gaat naar het nutshuisje… Nuttig!

ik heb nooit

Ik heb nooit naar iets anders getracht dan dit:
het zacht maken van stenen
het vuur maken uit water
het regen maken uit dorst

ondertussen beet de kou mij
was de zon een dag vol wespen
was het brood zout of zoet
en de nacht zwart naar behoren
of wit van onwetendheid

soms verwarde ik mij met mijn schaduw
zoals men het woord met het woord kan verwarren
het karkas met het lichaam
vaak waren de dag en de nacht eender gekleurd
en zonder tranen, en doof

maar nooit iets anders dan dit:
het zacht maken van stenen
het vuur maken uit water
het regen maken uit dorst

het regent ik drink ik heb dorst.

Gerrit Kouwenaar

Advertenties