Langbroek, je tikt er tegen en het klinkt

Het zouden elf kilometers moeten zijn, maar ik ben ervan overtuigd dat het er meer zijn. Het klompenpad ter ere van Gerrit Achterberg is bovendien een pad zonder weg terug. Je loopt hem van Wijk bij Duurstede naar Doorn of andersom. Heb je de auto geparkeerd in het schattige haventje van Wijk bij Duurstede, loop je dus zo het dubbele. Maar dat is het waard, want je loopt op de grond waar de kleine Gerrit opgroeide. Hij haalde zijn kleine knietjes op dezelfde manier open aan de braamstruiken langs het pad als jij. Dat bindt door de tijd heen.

De aan de moerassen onttrokken gebieden van Langbroek waren eigendom van handelsfamilies die door de kruidenhandel in de Oost verrijkt waren. De boerderijen in het gebied maakten onderdeel uit van de landgoederen en werden vaak gepacht. Het Gerrit Achterbergpad neemt je mee langs de landgoederen waar de ouders van Gerrit werkten. Het pad is voorzien van een elftal gedichten van Achterberg en die zijn uitgekozen op het thema van de plek waar zij zijn.

In de haven van Wijk bij Duurstede staat het eerste bord met de uitleg van de route en het eerste gedicht: ‘De zwijgende rivier’. Waar ik eerste schrijf kan ik ook laatste schrijven, want het is aan de wandelaar waar hij wil starten. In het zuiden bij de rivier, of in het noorden in de bossen. Bij bosrestaurant Sandbergen lezen we het gedicht ‘Nevelheim’ met als laatste strofe: ‘Maar ’s avonds op een landweg in de mist / verrijzen de kastelen aan de kant, / die hij herkent tot in de laatste steen.’

Hoe zit dat met Gerrit en zijn jonge jaren? De uitgebreide biografie van Wim Hazeu geeft lekker veel informatie. Over zijn vroege jeugdjaren vanaf zijn geboorte in 1905 bijvoorbeeld. Zijn vader was koetsier van Graaf Lynden van Sandenburg en het gezin Achterberg woonde dan in de koetsierswoning op het landgoed. Kleine Gerrit speelde dan met zijn leeftijdsgenootje, het zoontje van de graaf. In de winter ging het gezin dan met de familie mee naar Den Haag. Aan het begin van de twintigste eeuw kwam langzaam maar zeker de automobiel op en verdween de koets. Vader Hendrik werd ziek en zocht ander werk, hij kon een boerderij pachten in Langbroek en op zevenjarige leeftijd, in 1912, verhuist Gerrit mee naar boerderij Klein Jagersteyn. Hij bezoekt de lagere school in Langbroek die dan alleen nog een openbare school is. Mede dankzij de inspanningen van zijn vader wordt er in een paar lokalen later ook christelijk onderwijs gegeven.

Landgoed Sandenburg
Het Boonpje volgens Google Streetview

Op twee momenten in zijn jonge jaren valt Gerrit heftig op zijn hoofd. In 1910 van de trap in Den Haag en in 1921 van de hooizolder. De biograaf legt een heel voorzichtig verband tussen deze eventuele beschadigingen in zijn hoofd en de latere levensloop van Gerrit Achterberg met jarenlange verpleging in psychiatrische instellingen.
Het Gerrit Achterbergpad gaat op dat aspect van zijn leven nauwelijks in, totdat je bij je wandeling aankomt bij boerderij Het Boompje. Deze boerderij is jarenlang bij familieleden van Gerrit in bezit geweest. Er bestaat een pachtcontract tussen een van de eerste Achterbergen en de toenmalige graaf Lynden van Sandenburg en dat dateert uit 1810.
Er staat een gedicht in de tuin van Het Boompje en daarnaast staat een bakje met klein formaat Nieuwe Testament. De wandelaar wordt uitgenodigd een exemplaar mee te nemen op zijn reis. Het gedicht dat er bij staat, heet heel toepasselijk ‘Bekering.’ Het is het eerste gedicht uit de bundel En Jezus schreef in ’t zand dat verscheen in 1947. Daarin lezen we o.a. ‘Ik deed van alles wat gedaan kan worden, / het meest misdadige – en was verdoemd.’ Voor de argeloze wandelaars die niet veel van de dichter weten is dit wat cryptisch, maar hier vallen vermoedelijk de lyrische ik en de dichter samen. Achterberg schoot met een pistool zijn hospita neer toen hij op kamers woonde in Utrecht in 1937. Gerrit wordt ontoerekeningsvatbaar verklaard en krijgt praktisch zijn verdere leven een TBS-behandeling. Er is in Utrecht geen Gerrit Achterberg-wandeling langs opmerkelijke plekken, meld ik hier maar even in de richting van ramptoeristen.

Gerrit Achterberg volgde zelf ook een geliefd dichter in diens voetsporen. Bart Jan Spruyt schrijft daarover in Trouw (oktober 2009), het artikel gaat over de vriendschap tussen dominee J.T. Doornenbal en Gerrit Achterberg: In augustus 1961 brachten Doornenbal en Achterberg een bezoek aan het graf van de dichter Willem de Mérode in Eerbeek. Achterberg had een ’biezondere voorliefde’ voor diens gedicht ’Voorbereiding’ dat gaat over Gods oordeel en de verzoening door Christus; daarin vond hij volgens Doornenbal ’zeker iets van zichzelf’ terug. Over het gezamenlijke kerkhofbezoek schreef Doornenbal: „Het graf ligt naast vele andere graven, door een zerk gedekt, met de naam van de dichter en enkele versregels van hemzelf die spreken van geborgenheid in God, ook daar waar de rechte lijn van het leven door Hemzelf gebogen wordt. Er was een diepe vrede in de natuur die middag. Mild zonlicht straalde over het kerkhof. In zulke ogenblikken kun je je verdiepen in alles wat je weet van het leven van hem die hier zijn laatste rustplaats vond, en van zijn verzen, die de neerslag zijn van zijn innerlijke strijd en zielenood, maar ook vervuld zijn van de vergevende liefde van God, die over alles heen komt. Als iets van die liefde het hart vervult, is heel de schepping vol vrede. Het oude land glansde in het middaglicht, heel de natuur was in rust. We vonden de hofstee waar de dichter in zijn laatste jaren heeft gewoond en dachten ons in hoe hij er zijn gangen gehad moet hebben onder de oude eikenbomen en langs de korenvelden, waar het gemaaide graan nu in gouden schoven stond en naar de schuren gereden werd op geheel dezelfde wijze als hij het heeft gezien. Het was een bijzondere middag, die we niet gauw vergeten zullen.”
Op het kerkhof groeven Doornenbal en Achterberg samen wat heidepolletjes uit en pootten die langs de steen „in een bepaalde gevoelsopwelling van ’t ogenblik (we vonden ’t graf wel wat erg kaal!)”.

Eén gedicht mag natuurlijk niet ontbreken als het gaat om de geschiedenis van Gerrit Achterberg: Eben Haëzer. Gelukkig komen we die tegen op de Langbroekerdijk, ter hoogte van Klein Jagersteyn. De dichter beschrijft een jeugdherinnering en schetst een parallel beeld van zijn vader die zijn koeien  voert zoals de dominee de kerkgangers meeneemt in de heilige mis. Vooral de zin ‘Godsdienst hing zwaar tegen de hanebalken’ wordt vaak geciteerd. Maar die titel hoe zit het daarmee? Het verwijst naar een Bijbels verhaal waar Samuël na de overwinnig van de Israëlieten op de opdringerige Filistijnen een steen pakte en die een naam gaf: Eben-Haëzer. Letterlijk betekent dat ‘steen der hulp’, maar de overlevering heeft de hulp duidelijker benoemd: ‘Tot hiertoe heeft de Heer ons geholpen’. ‘Ebenezer’ komt in Engelstalige landen ook voor als roepnaam voor een jongen. De term roept dus vooral dank uit voor de ondersteuning die men van hogerhand krijgt als godvruchtig mens. Het gedicht komt uit de bundel Vergeetboek uit 1961, een bundel waar de dichter herinneringen ophaalt aan veel dingen uit zijn leven.

Eben Haëzer

Besloten zaterdagavond bij ons thuis,
Mistvoeten liepen sluipend langs de schuur.
Er was geen ziel meer buiten op dat uur;
de blauwe boerderij een dichte kluis.

Daar woonden wij bijeen met man en muis.
Door koestalraampjes viel een richel vuur
uit goudlampen op deel, eeuwig van duur
en stil van lijnkoeken en hooi in huis.

Mijn vader celebreerde er de mis:
de koeien voeren, plechtig bij de koppen.
Hun tong krult om zijn handen als een vis.

Een schim, diagonaal tot in de nokken.
Godsdienst hing zwaar tegen de hanebalken.
Zijn aderen beginnen te verkalken.

Gerrit Achterberg

Advertenties