Lodeizen in Harderwijk

on

En dan loop je ergens nietsvermoedend te wandelen en dan kom je iets bijzonders tegen: een grote tegel tussen het plaveisel, met een gedichtfragment ondertekend met een logootje van een ‘poëzieroute’. Goed bezig Harderwijk! Aan de tegel is goed te zien dat het een initiatief is van enige tijd terug. Wandelaars hebben er respectloos met kinderwagens en rollatoren over gereden. Positiever gezegd: poëzie heeft een plaats gekregen in het alledaagse leven.

Speurwerk op het internet brengt mij bij de literaire kring Apollo die is opgericht in 1986 met als doel om het literaire en culturele leven in Harderwijk te stimuleren. Met zo’n doelstelling loop je niet het risico dat Justitie je als een motorclub wil verbieden. Zoals ik eerder zei: goed bezig, Harderwijk. Of het nog allemaal goed loopt, weet ik niet: de laatste nieuwsbrief dateert van november 2017. Het is mooi dat er aandacht bestaat voor poëzie in Harderwijk want het stadje is erg geplaagd door dichter Anthonie Donker, die de teloorgang van het ooit zo rijke stadje neersabelt in zijn gedicht ‘Harderwijk’: ‘Ville morte aan in zichzelf gekeerde kust. / Er valt geen roem, geen rijkdom meer te halen. / Het ligt ommuurd, gemetseld in zijn rust. ‘ En verder in het gedicht: ‘Er momplen golven van een doode zee / Die eens de stukken uit de Vischpoort sloegen.’ Donker was hard tegen Harderwijk,

Het gedicht tussen de straatstenen tref ik aan voor het vissershuisje dat je al toerist kunt bezoeken om zelf te ervaren hoe weinig romantisch het vissersbestaan was: veel mensen in een tochtig klein huisje en in de winter als de boten niet kunnen uitvaren afwachten wat er op tafel komt. Het is een gedicht van Hans Lodeizen, maar het is maar een klein stukje van het gedicht. En het is niet zo dat de rest van het gedicht in de andere straten van Harderwijk ligt zodat je een eigen puzzelroute kunt lopen.

We krijgen maar acht regels  van een gedicht dat er negentien heeft. De vier puntjes geven aan dat er meer is, dat is dan wel weer fijn, zo ben je voorbereid. De vraag voor ons poëziepuristen is of de acht regels voldoende zijn om de essentie van het hele gedicht te vangen of dat het door het snoeien een geheel eigen gedicht is geworden. Het gedicht ligt hier met een reden, aldus de mensen van Apollo: “Dit gedicht, met een filosofische inslag, past goed bij de discussies die plaatsvinden in het pand Kleine Marktstraat 14 bij het Herendispuut.” Of het gedicht een filosofische ‘inslag’ heeft, vind ik zelf wel een mooi eerste discussiepunt.

Hans Lodeizen is een unieke dichter. Hij is wel gezien als de voorbode van de Vijftigers, zoals Jacques Perk dat was voor de Tachtigers. Beide dichters zijn op jonge leeftijd overleden, daar zit een verband. Beide dichters lieten zich niet leiden door wat er op dat moment werd gemaakt aan poëzie. Maar ik weet niet of de persoonlijke thematiek van Lodeizen gezien moet worden als voorloper van Lucebert en Kouwenaar. Absurd in het verhaal over Lodeizen is dat in het jaar van zijn overlijden (1950 is het en hij is dan 26 jaar) ook zijn debuut verschijnt: Het innerlijk behang. Een debuut zonder opvolgers, hooguit een dikke bundel met nagelaten gedichten. Hij heeft in een betrekkelijk korte periode veel geschreven.

Heeft Lodeizen een band met Harderwijk? Behalve misschien dat er mensen wonen die van zijn gedichten houden, nee. Hij is geboren in Naarden maar heeft vooral bij zijn ouders in Wassenaar gewoond. Voor zijn studie biologie woonde hij in de Verenigde Staten. Zijn laatste levensjaren zat hij in een kliniek in Zwitserland, maar de leukemie waar hij aan leed bleek niet te stoppen. Een ‘jonggeknakte’, zou Komrij zo’n te vroeg vertrokken dichter noemen. “Zijn korte leven heeft voor een belangrijk deel in het teken gestaan van het zoeken naar identiteit, het aanvaarden van zijn homoseksualiteit en het verlangen ooit werkelijk een dichter te worden.” Aldus Apollo…

Het gedicht je hebt me alleen gelaten is een van de bekendere gedichten van Lodeizen. Zowel Komrij als Pfeijffer hebben hem in hun bloemlezing staan. Wat staat er in het gedicht? Lees het maar, het is niet moeilijk geschreven, hoewel het ook iets raadselachtigs heeft, iets om in het Herendispuut eens flink te bespreken. Gaat het over het verwerken van een verlies? En is dat dan een geliefde die niet verder wil met de relatie of is de geliefde zelfs overleden? Ergens las ik dat de lyrische ik ten prooi is aan de ontreddering die het verlies met zich meebrengt en zich er daarom niet bij neer kan leggen. De lyrische ‘jij’ wordt nog gezien en gehoord. Opgeven is geen optie.

Je kunt het gedicht ook zien als een gesprek van iemand die een ander duidelijk maakt dat de liefde tussen hen twee niet te verbreken is. Ook als de ene de ander verlaat. Vooral het tweede deel heeft dat in zich en dat kun je helaas in Harderwijk niet lezen op straat. Iemand kan terugkomen (morgen, overmorgen, nooit), maar de ander is onontkoombaar. Het kan ook zijn dat de ander weigert om zijn gevoel te volgen. Dat zit hem vooral in de passage dat de ‘ik’ ziet dat de ‘jij’ hem negeert en daarmee de liefde die wel in hem zit. Projectie van de ‘ik’ of ontkenning van de ‘jij’? Is er tussen de ik en de jij sprake van een soort verboden liefde waar de jij zich bij neer heeft gelegd? De ‘ik’ weet dat dat onmogelijk is en dat ze in elkaars dromen blijven terugkomen.

Of is het simpeler? Zolang je geen relatie met elkaar hebt, kun je elkaar ook niet verlaten. Je kunt wel iemand alleen laten, weg van iemand gaan en terugkomen. Zo heb je een (half) gedicht waar je uren over kunt nadenken. Ook als je wegwandelt uit de straten van Harderwijk. Ik ben uit Harderwijk vertrokken, maar zal het nooit meer verlaten…

*

je hebt me alleen gelaten
maar ik heb het je al vergeven

want ik weet dat je nog ergens bent
vannacht nog, toen ik door de stad
dwaalde, zag ik je silhouet in het glas
van een badkamer

en gisteren hoorde ik je in het bos lachen
zie je, ik weet dat je er nog bent

laatst reed je me voorbij met vier
andere mensen in een oude auto
en ofschoon jij de enige was die
niet omkeek, wist ik toch dat jij
de enige was die mij herkende de enige
die zonder mij niet kan leven

en ik heb geglimlacht

ik was zeker dat je me niet verlaten zou
morgen misschien zul je terugkomen
of anders overmorgen of wie weet wel nooit

maar je kunt me niet verlaten

Hans Lodeizen

Advertenties