Het beste van het beste: toen

on

In mijn vorige blog schreef ik over de laatste editie van De 100 beste gedichten van… en omdat het fenomeen al zo lang bestaat, kunnen we zo een stap terug gaan in de tijd. Want ook over 1998 is een bloemlezing gemaakt, gebaseerd op de beste bundels die er dat jaar waren uitgekomen. Gedrukt en uitgegeven in 1999, dus nu gaat het wél over de gedichten van het jaar daarvoor. Na samensteller Herman de Coninck, tevens initiatiefnemer van het fenomeen, over 1996 en T. van Deel over 1997, lag de taak bij de toenmalige juryvoorzitter van de VSB-poëzieprijs Wiljan van den Akker. Het prijzengeld bestond nog uit guldens (en dat waren er ƒ 50.000,-) en in de jury zaten ook Kader Abdolah, Anneke van Dijk, Dirk de Geest en Ig Henneman. De bundel Hier is de tijd van Esther Jansma won uiteindelijk uit de lijst met zeven genomineerden. De andere genomineerden waren: waren: J.Bernlef – Aambeeld, Anneke Brassinga – Huisraad, Peter van Lier – Gegroet o…, Lidy van Marissing – Hoe zij zoekt, Willem Jan Otten – Eindaugustuswind en Ilja Leonard Pfeijffer – Van de vierkante man.

Weet samensteller Wiljan van den Akker nog hoe dat verliep in die tijd? De volgorde is in ieder geval: eerst een keuze van de bundels voor de prijs en dan pas aan de slag voor de bloemlezing van de 100 beste gedichten. Van den Akker: “Voor het kiezen van de genomineerden heb ik mij in Zeeland teruggetrokken met de te beoordelen bundels en drie stapels gemaakt: een stapel voor bundels die direct afvielen, een stapel voor bundels die ik meteen goed vond en een stapel voor twijfelgevallen. Zo kwam ik tot een eerste voorstel. De eerste stapel was meteen het grootst dus dat scheelde bij de vervolgstap: het aanwijzen van de beste bundels. Ik heb net nog even de bloemlezing uit de kast gepakt en wat mij opviel is dat er al zo veel dichters uit die tijd zijn overleden: Bernlef, Claus, Komrij, Kouwenaar. Dan schrik je toch even…”

Is het lastig om 100 gedichten te kiezen uit één jaar? De jury had iets meer dan 60 bundels aangeboden gekregen. Van den Akker: “Dat waren de officiële bundels vanuit bekende uitgevers, maar er waren ook nog wel bundels uit het grijze circuit. In eigen beheer uitgegeven werk, hebben we ook even naar gekeken. Stel dat daar een nieuwe ontdekking tussen zou zitten die aan onze aandacht was ontsnapt. Maar dat bleek niet het geval. De 100 beste gedichten per jaar bundelen is lastig. Eigenlijk hebben we een te klein taalgebied om ieder jaar weer honderd echt goede gedichten te kunnen bundelen. Jaarlijks verschijnt een Amerikaanse versie: de 100 best poems en door het grote aanbod hebben ze daadwerkelijk iets te kiezen. Maar als ik nu weer zie welke dichters er opgenomen zijn, schaam ik mij niet.”

Altijd weer die teloorgang

Ilja Leonard Pfeijffer, thans gevreesd bloemlezer, had in 1998 zijn debuut. Van den Akker: “‘Van de vierkante man’ viel zo op dat hij bij de nominaties terecht kwam, overigens niet zonder discussie in de jury. Maar men herkende wel het bijzondere geluid.” Het eerste gedicht van Pfeijffers bundel was een soort parodie op het werk van dichter Hans Faverey en die had een grote schare bewonderaars in die tijd. Van den Akker: “Maar als ik de lijst zie met de dichters in de bloemlezing, ben ik blij dat we achteraf gezien, de goede keuzes hebben gemaakt. Eva Gerlach en Anneke Brassinga hebben alleen maar meer bewezen als dichters van belang.” Van den Akker was voorzitter van de juy van de P.C. Hooftprijs toen deze in 2000 werd toegekend aan Eva Gerlach.

Ook zijn er drie gedichten opgenomen van de bundel Kinderen die leren lezen van Kees ’t Hart. Hé, daar horen we de laatste tijd wel meer van! Kees ’t Hart was de samensteller van De 100 beste gedichten van 2016 en hij schrijft daarover in de inleiding: “Ik genoot van de grote toon- en vormvastheid, van de vrolijke zijpaden, van de ingenieuze poëtische redeneringen, van de ontroerende stiltes in de witregels, van de parodistische scheefpraat en van de vele gelukkige ingrepen in taal.” Dat is toch een ander geluid dan de pessimistische toon uit zijn bijdragen, bijvoorbeeld in de Volkskrant aan het begin van dit jaar. Gaat het slecht met de poëzie? Van den Akker: “Het is onzin dat er sprake is van een teloorgang van de poëzie. Dat is een geluid dat al eeuwen steeds even de kop opsteekt. Ik denk dat het tegendeel waar is. Toen ik begon met studeren, kon je bijna niet in aanraking komen met dichters. Nu heeft ieder zichzelf respecterende stad een eigen poëziefestival. Er is ook gedegen statistisch onderzoek gedaan naar het verband tussen bevolkingsgroei en de verkoop van poëzie en romans in de periode van 1900 tot 2000. Je ziet dan dat relatief de grootste stijging zit bij de poëzie. En de poëzie heeft ook meer uitingsvormen via de moderne media. Slecht met de poëzie? Alles wijst op het tegendeel!”

Van tedere woede beroofd

Dat twintig jaar ook iets kunnen doen met hoe je gedichten leest, merk je bij herlezing van Zwaanzang voor Lucebert. Een gedicht van Anneke Brassinga uit de bundel Huisraad. Lucebert overleed in 1994 en de dode verdiende een ode. Met de ogen van nu, nu biograaf Wim Hazeu ander licht werpt op het leven van de dichter en daarmee op zijn werk, kijk je anders aan tegen elk gedicht van Lucebert en óver Lucebert, ook als de bewondering gewoon is gebleven. Een paar zaken zijn handig om voor het lezen te weten en daarom geeft uw gids door het Rijmrijk wat aanwijzingen:

  • Een zwanenzang is het laatste gedicht van een dichter en bevat vaak vooruitwijzingen naar zijn dood. Brassinga schrijft niet ‘zwanenzang’ maar ‘zwaanzang’. Zwanen zouden, zo is de mythe, in geweldige zingen uitbarsten voordat zij doodgaan.
  • Tel daarbij op de naam van de dichter. ‘Lucebert’ was de pseudoniem voor Lubertus Jacobus Swaanswijk. Ook daar zien we een zwaan in terug…
  • Lucebert was 69 jaar toen hij overleed. Dit getal verwijst ook naar een seksuele positie waarbij een van de partners omgekeerd de ander benadert. In die context passen ook de woorden ‘gebeft’ en ‘wijdbeens’ in de vervolgregels.
  • Lucebert schreef een bundel getiteld Val voor Vliegengod. En het woord Vliegengod heeft verwantschap met Baäl-Zebub, heer van de vliegen, later verworden tot heer van de demomen: Beëlzebub.
  • Er komen stukjes tekst voor die verwijzen naar bekende Lucebertregels, zoals zijn allerbekendste: ‘ik tracht op poëtische wijze / dat wil zeggen /eenvouds verlichte waters /de ruimte van het volledig leven /tot uitdrukking te brengen’.

Zo neemt Brassinga afscheid van Vijftiger Lucebert wiens werk door haar wordt gekenschetst als ‘tedere woede’. Hoe teder die woede was in de ogen van Lucebert zelf, valt alleen maar te raden…

Zwaanzang voor Lucebert

Ons gevederd vriendje kan niet meer fietsen
wij voeren een leeg rijwiel mee aan de hand –
van ons kanarie zijn de pootjes afgeknipt
door een vroegoud kind met tuinschaar dat hem
op de roltrap naar den hoge heeft gepleurd
vanuit de broeihoop, bijenkast, vliegengodkast.

Onder het negenenzestigen is hij verrast. Laat
ons hopen dat hij zich volledig heeft gebeft
aan het wijdbeense zwerk en de eenvouds verlichte
klatering hem nu omsluit als veren een zwaan
in het buitendijks onvertogene. Van tedere woede
zijn wij beroofd.

Anneke Brassinga

Advertenties