Loopplank naar andere oever – Edward van de Vendel

“In de zevende zevende hemel / Komt het altijd weer op liefde neer…” zingt De Dijk ons toe in het lied De Zevende Hemel waarvan de tekst is geschreven door Huub van der Lubbe. De liefde, ach ja… Niet voor niets is het een van de belangrijkste inspiratiebronnen voor de literatuur en andere kunstvormen. De liefde voor de natuur, de liefde voor dieren, voor de mensen onderling: ouderliefde, liefde voor je kroost, de romantische liefde. En dan vinden wij de liefde van jongen naar meisje of van meisje naar jongen ‘normaal’ en de andere vormen voorzien we van etiketten. Lesbisch, Homosexueel, Bisexueel, Transgender, Queer. Het zijn zoveel etiketten geworden dat we beschikken over een superetiket voor het totaalpakket: LHBTQ. Deze etiketten gaan niet alleen over aantrekkingskracht tussen mensen, maar ook over identiteit. Want Transgender zegt iets over het gevoel dat je hebt over je eigen geslacht en of dat strookt met wat je biologisch hebt meegekregen, het zegt niets over het geslacht waar je op valt. Kortom: je kunt én transgender én LH of B zijn.

Hoe dan ook, er valt genoeg over te schrijven en te dichten. En dat is dan ook gebeurd de afgelopen eeuwen. In 2017 verscheen bij uitgeverij Atlas Contact een bloemlezing met 44 LHBT-hoogtepunten uit de Vlaamse en Nederlandse literatuur van na de oorlog, met de titel Queer. ‘Queer’ is de verzamelnaam van alles wat vraagtekens zet bij het vaste patroon van jongens en meisjes en hun onderlinge verhoudingen. De bloemlezing Queer is samengesteld door Nienke van Leverink. En samenstellen is, het lijkt op dichten, vooral schrappen: de enorme lijst met mogelijkheden verkleinen en dan maar hopen dat jouw keuze wordt begrepen en gedragen door de lezers.

Uw gids door het Rijmrijk beperkt zich bij het lezen tot de 18 gedichten in de bloemlezing. We lezen werk van oudgedienden als Ida Gerhardt, Hans Lodeizen, Ellen Warmond, Nel Noordzij en Hans Warren naast gedichten van een nieuwe jonge lichting dichters: Ellen Deckwitz, Marieke Rijneveld en Lieke Marsman. Bij het lezen van de gedichten in de bloemlezing ligt een vraag onder het oppervlakte: wat is het LHBT-gehalte ervan? Want is een gedicht van een vrouwelijke dichter tot een ‘zij’ die wordt bemind ook meteen een gedicht waarin de vrouwenliefde wordt bezongen? En hoe anders is deze dan de liefde van mens tot mens in het algemeen? Daarnaast hebben we geleerd dat de ‘ik’ in een gedicht niet gelijk staat aan de dichter. Daarom maken we elke keer zo’n ingewikkeld onderscheid tussen de dichter en de ‘lyrische ik’. De lyrische ik kan zo ver van de dichter af staan dat zij zelfs van geslacht kunnen verschillen. Het gedicht van Jan Glas over ‘De mooie bakker’ uit Queer had ook een gedicht kunnen zijn vanuit vrouwenperspectief. Het maakt voor de kwaliteit van het gedicht trouwens helemaal niet uit. Mens begeert ander mens. Totdat de bakker kanker in zijn knie kreeg. Daar stopten de fantasieën, want ‘Dood begeer ik niet’, aldus de lyrische ik.

De lyrische ik in het gedicht van Edward van de Vendel is zeker een jongen. Niet omdat het in het gedicht staat maar omdat we weten dat er na het basketballen niet gemengd wordt gedoucht. Jongen ziet ontblote andere jongen en raakt daarvan in de war. En het is eigenlijk niet helemaal duidelijk of zijn verwarring ontstaat omdat het, net als hijzelf, een jongen is die hij ziet. Hij lijkt in de war te raken omdat het zijn eerste verliefdheid is, daarvan raakt iedereen een beetje van slag. Je kent het overweldigende gevoel nauwelijks als het je overkomt, als je aan het begin staat van een leven vol liefde. Van de Vendel lukt het om je mee te nemen in dat gevoel, dat onwennige. Hij neemt je mee in de onzekerheid. Mag de ik iets zeggen over wat hij ziet en voelt, maar hoe reageert de ander dan? Hij durft het niet aan. Geen communicatie dus, er is nog geen gelegenheid om de brug over te steken die voor hem ligt, niet de loopplank op.
Wel is er gelegenheid om de beelden op te nemen en te trachten te onthouden. Beeldspraak kan helpen om het gevoel vorm te geven en vast te houden. De schouderbladen van B. lijken op komma’s! Nee, dat is nog niet het goede beeld: het zijn meer aanhalingstekens. Dat is nog mooier dan komma’s want tussen aanhalingstekens is veel ruimte voor wat de ander te zeggen heeft. Het titelloze gedicht over de achterkant van B. komt uit een bundel uit 2000 met als titel Aanhalingstekens. De dichter vond het beeld sterk genoeg om de hele bundel er naar te vernoemen.

De dichter Edward van de Vendel schrijft veel voor kinderen, voor jeugd. En zoals zoveel hedendaagse dichters die voor de jeugd schrijven, is dat geen kinderachtig werk. Van de Vendel neemt kinderen en jongeren serieus en probeert in zijn gedichten grootse thema’s op een toegankelijke manier vorm te geven. Dan beland je als dichter niet in de bloemlezingen van Pfeijffer (uit 2016) of Komrij (uit 2004) maar wel in de Komrij uit 2007 met ‘kinderpoëzie’. En dat met maar liefst negen gedichten. Moet je zelf ‘queer’ zijn of L, H, B of T om gedichten als loopplanken naar een oever te schrijven. Lijkt mij niet, je moet wel veel van taal houden en van de expressiemogelijkheden van taal. En dan citeren we nog één keer Huub: “Komt het altijd weer op liefde neer…”

*

Basketbal gespeeld. Gedoucht.
Gekeken naar de achterkant van B.
Geschrokken. Wervels trokken er
een onderbroken streep:
zijn rug een weg,
een brug van warm hout,
een loopplank naar een oever
waar ik aan zou willen leggen.
Bijna iets gezegd
waarvan ik zelf niets begreep:
mag ik jou oversteken?
Antwoord niet gehoord,
maar zachtjes met mijn blikken
langs zijn rug gestreken,
om zijn schouderbladen, die wel
komma’s leken,
nee,
aanhalingstekens.

Edward van de Vendel

Advertenties