Simon Vestdijk en de weerkaatsing van het heelal

En zo kom je terecht op een terras in het centrum van Doorn, je kijkt op van je glas en je ziet aan de overkant, op het grasveld bij de kerk, het bronzen beeld van een man achter een bureau. Zou dat niet..? Jawel, het is hem! De beroemdste man van Doorn en tevens de meest productieve man in de Nederlandse letteren: Simon Vestdijk. Op zijn naam staan 54 romans, 39 novellen, 33 essaybundels en ook nog eens 24 poëziebundels. Opgeleid als arts, schreef hij net zoveel literaire teksten onder zijn werk als recepten. Tijd om te rusten na zijn dood in 1971 maar de beeldhouwer Jaap te Kiefte heeft de goede man weer gewoon achter zijn schrijftafel gezet. “Je kunt er toch gewoon bij blijven zitten!” schijnt Vestdijk ooit eens te hebben gezegd na een vraag over zijn aanhoudende stroom schrijfwerk. Hij zit nog steeds, hij schrijft nog steeds en, o ja, hij rookt ook nog steeds. Zou er een tijd komen dat roken zo ongewoon is dat opa’s aan kleinkinderen moeten uitleggen waarom die mijnheer in brons een stokje in zijn mond heeft?
Adriaan Roland Holst heeft zelfs een kwatrijn geschreven over Vestdijks abnormale snelle literaire productie:

Simon Vestdijk
Wat mag het raadsel van uw arbeid wezen?
Muur van den Geest, waar die van de Chinezen
te kort bij schiet. – O, Tegenpool van Bloem!
O, Gij, die sneller schrijft dan God kan lezen!

Concentratie en bling-bling

In de oorlogsjaren arresteerden de Duitse bezetters schrijvers, musici, politici, bestuurders en andere vooraanstaande Nederlanders om ze te ‘gijzelen’. Ook Simon Vestdijk was een van deze gijzelaars… Ze werden gevangen gehouden voor het geval het nodig was om een punt te maken richting de Nederlanders. Werd er in Rotterdam een Duitse trein overvallen, werden één of meer gijzelaars gefusilleerd. In Sint-Michielgestel werd door de Duitse bezetter het kleinseminarie Beekvliet gebruikt om het gezelschap gevangen te houden. De mensen konden niet weg, maar er was wel alle ruimte om met elkaar lezingen, trainingen, discussies te houden. In deze omstandigheden schreef Vestdijk honderden gedichten maar ook lezingen over het fenomeen ‘poëzie’. Vestdijk schrijft over het verschil met proza en over de relatie tussen de dichtkunst en andere vormen van moderne kunst zoals muziek en beeldende kunst. In poëzie zien we het samensmelten van ‘verschillende zintuigelijke indrukken’. De acht lezingen werden later gebundeld en uitgegeven onder de titel De glanzende kiemcel. Vanwaar die titel?

Vestdijk: “De poëzie is tegelijk jonger en ouder dan het proza. Deze formulering brengt ons op de gedachte, of er zich in de biologie wellicht verschijnselen voordoen, die hiermee in parallel te brengen zijn. Inderdaad is dit het geval: in de kiemcel hebben wij een onderdeel van het levende organisme voor ons, dat eveneens deze twee tegenstrijdige kenmerken in zich verenigt. Enerzijds is de kiemcel, waaruit het gehele lichaam zich zal (of althans kan) ontwikkelen, karakteristiek voor de eerste stadia van de groei, dus van de jeugd van het organisme; anderzijds echter is de kiemcel, doordat zij deel heeft aan de continuïteit van het voorouderlijke protoplasma, het oudste wat zich denken laat. (..)”
En verderop: “Evenals de kiemcel, dat kleine, met vitaliteit geladen eilandje, dat zich in de zee van de biologische chaos weet te handhaven, bevat een gedicht als het ware alles in zich, op het kleinste bestek verenigd en tegen elkaar uitgespeeld. Er bestaan van die gedichten, zo feilloos afgerond en in zichzelf besloten, dat zij de illusie wekken, – want meer dan een illusie is dit natuurlijk niet, – dat zij het heelal als in een magische spiegel weerkaatsen, zo al niet de werkelijkheid van het heelal, dan toch de mogelijkheden en potenties, die tot dit heelal zouden kunnen uitgroeien.” Om de vergelijking met het gedicht af te maken, geeft Vestdijk de kiemcel ook nog wat bling-bling mee: de kiemcel glanst…

Vormvast en op afstand

Vestdijk schreef in vlagen zijn gedichten. Maar aan het einde van zijn loopbaan zag hij een nieuwe generatie dichters opkomen die zich sterk afzette tegen hun voorgangers. De Vijftigers, de dichters die zich in de jaren vijftig roerden, vonden dat er veel moest veranderen, ook in de poëzie, juist in de poëzie. Vestdijk voelde dat hij de aansluiting met deze experimentelen miste en aan het einde van zijn leven stopt hij dan ook met publiceren. Zijn werk leunt sterk op de traditie, Simon Vestdijk gebruikt eindrijm en een strak metrum en ook de vorm is traditioneel, er zijn veel sonnetten in zijn oeuvre te vinden. Vestdijk krijgt nog wel eens het verwijt dat hij wel heel afstandelijk schrijft en dat zijn dichtwerk nogal gekunsteld lijkt. Ondanks dat heeft Simon Vestdijk een enorme schare fans: liefhebbers die samenkomen in wat de ‘Vestdijkkring’ wordt genoemd. Nieuwe wetenswaardigheden worden gemeld in de Vestdijkkroniek. Die trouwe aanhang heeft meegeholpen om het mogelijk te maken dat wij hem nog iedere dag kunnen zien zitten schrijven, als we er maar even voor willen doorreizen naar zijn voormalige woonplaats, het Utrechtse dorp Doorn. Op het grasveld bij de kerk, ongeacht wie er ook neerstrijkt op welk terras in de buurt dan ook.

De nijd van ’t voorgeslacht

In het najaar van 1937 komt de bundel Fabels met kleurkrijt uit en gedicht nummer tien gaat over twee bomen die bovengronds heel harmonieus samen leven maar ondergronds een strijd op leven en dood voeren. Vestdijk wil dat het metrum klopt en dus staat er soms een accent om een lettergreep te vervangen: rits’lend, inn’ge, hunk’rend, onzichtb’re. Het gedicht is verder niet heel moeilijk, Vestdijk maakt het vaak echt veel ingewikkelder voor zijn lezers. Hij gebruikt wel wat woorden die we niet vaak meer gebruiken. Mortel is hetzelfde als ‘specie’, een waterige substantie dat je tussen stenen smeert om ze aan elkaar te laten hechten. Schouwen is een wat ouderwets woord voor kijken. Van de zes strofen zien we bij de tweede en derde strofe het zogenaamd ‘omarmend’ rijm: abba. Dat is vast niet toevallig, die strofen gaan over de harmonieuze sfeer boven de grond. Naar mate we verder naar beneden komen, raken we af van het omarmende rijm.

Fabels met kleurkrijt – X

Keuvelend met verliefde kronen,
Ruischend de een, rits’lend de ander,
Zijn beuk en berk gaan samenwonen
Als lotgenoten van elkander,

In zulk een inn’ge eendracht, dat
Men aan de witte schors moet vragen
Wie of het berkenloof zal dragen
En wie in ’t najaar ’t bruinste blad.

Hier even breed, daar even smal,
Stroomen hun stammen naar beneden,
Uitwijkend, hunk’rend en tevreden,
Geven en nemen, een en al,

Tot waar de saamgevoegde wortel
De strengheid voedt van ’t mijn en dijn,
Alsof met een onzichtb’re mortel
De grensvlakken bestreken zijn. –

Maar lager, diep onder de aarde,
Daar heerscht de nijd van ’t voorgeslacht,
Dat waterdruppelen vergaarde
Met harig zuigende overmacht,

Elkaar verdringend, moord beramend,
In zulk een schennis van ’t verbond,
Dat elk der wezens zich zou schamen,
Wanneer ’t kon schouwen in zijn grond.

Simon Vestdijk
Advertenties