De Génestet in een doorsijperd stukske grond

Het plaatsje heet Rozendaal, naar het kasteel Rosendael. Een plaatsje in een kleine gemeente tussen Arnhem en Velp, onderdeel van de Veluwe, met iets meer dan 1500 inwoners. Vaak in de top geëindigd als gemeente die als eerste de stemmen heeft geteld bij verkiezingen. Favoriete partijen bij lokale verkiezingen zijn Belangengemeenschap Rozendaal, Rosendaal ’74 en Progressief Akkoord Rozendaal. Rozendaal mag niet worden verward met de gemeente Roosendaal uit Noord Brabant met 77.000 inwoners.

Stilte kalm en groots

Niet ver van dat fraaie kasteel ligt het oude kerkhof in de Veluwse bossen. Daar staat trots en fier de grafsteen van de 19-e eeuwse dichter Petrus Augustus de Génestet. Hij werd geboren in Amsterdam op 21 november 1829 en is jong overleden op 31-jarige leeftijd in Rozendaal op 2 juli 1861. De Génestet was opgeleid tot predikant voor de Remonstrantse Broederschap.
Hij werd dominee in verschillende plaatsen in Nederland. In 1852 trouwde hij met Henriette Bienfait met wie hij vier kinderen kreeg. Zeven jaar later stierf zijn vrouw en een kind aan de gevolgen van TBC en ook hij moet daar iets van hebben meegekregen want twee jaar later sterft hij zelf. Zijn laatste maanden wordt hij verzorgd in Rozendaal waar zijn schoonmoeder een buitenhuis had, thans met het adres De Génestetlaan 6. Vandaar zijn plek op het kerkhof in die plaats. Met een grote steen, geschonken door zijn ‘dierbare vrienden’. ‘Een stilte heerst hier kalm en groots, / Gelijk het zwijgen is des doods’ dichtte Bernard ter Haar over het graf van De Génestet om er in 1880 niet ver vandaan zelf begraven te worden. Even kalm en even groots…
C.P. Tiele verzorgde de inleiding van de elfde druk met een ‘levensschets’: Slechts betrekkingen en vrienden begeleidden hem naar zijn laatste rustplaats, en een drietal hunner voerde er het woord. Op het kleine kerkhof te Rozendaal, naast die statige laan die naar Beekhuizen voert, in ’t midden van die liefelijke natuur waarvoor zijn hart altoos geopend was, rust zijn overschot. Door de zorg van eenige vrienden is een smaakvol gedenkteeken in zoogenaamd gothischen stijl op zijn graf geplaatst. Het Fiat Voluntas, dat in zijn laatste jaren wel zijn levensspreuk mocht heeten, staat op den lijksteen gegrift.

Dominee & Dichter

Fiat Voluntas – Uw wil geschiede (Mattheus 6:10)

De Génestet is dus één van die beroemde domineedichters waar de Tachtigers zich zo tegen afzetten. Niet helemaal terecht, zegt de grote Komrij. “Van alle domineedichters is De Génestet de enige domineedichter die meer dichter dan dominee was.” [Komrij’s canon, 2012]. En daarvoor had Komrij geschreven: “In het vaak nogal ronkende en pathetische koor van negentiende-eeuwse dichters heeft De Génestet zijn eigen stem. Hij is simpeler dan de anderen, relativerender. Hij blijft de jongen in pofbroek tussen de heren in hun lakense pak. ’t Lijkt ook of hij van het hele koor het grootste gevoel voor ritme heeft. Zijn poëzie getuigt vaak van een grote muzikaliteit. Ongedwongen en ongekunsteld. Niet de schelheid van het koper, eerder de weemoed van riet en hout.(…)” Komrij zegt het mooi en hij zegt het met autoriteit want hij heeft al die domineedichters gelezen. Allemaal!

Bij zijn leven en direct na De Génestets dood was zijn werk razend populair tot ver in de eeuw daarna. Er zijn veel herdrukken gemaakt van zijn verzameld dichtwerk. Maar met alle respect voor Komrij en de geschiedenis, voor de moderne lezer is veel van het werk van De Génestet geen pretje om te lezen. Nou vooruit, een strofe als voorbeeld.

In Gelukkige Dagen

Zachte, frissche lentestralen,
Liefdegeur en liefdegloed
Stroomen door dees rijke dalen,
Stroomen in mijn blij gemoed.
Zegen heb ik mild ontvangen…
Nochtans – in mijn eenzaamheid –
Heb ik bij mijn blijdste zangen
Menig stillen traan geschreid.  (…)

Doorsijperd stukske grond

Een domineedichter die niet alleen de deugden en de goedheid van de Heer behandelt in zijn verzen, dat was De Génestet. Het gedicht ‘Boutade’ uit november 1851 is er een die je zo zou kunnen plaatsen in het repertoire van een modern cabaretier. Gewoon lekker kankeren op het onvermijdelijke.
De ‘ik’ is verkouden en heeft geen zin in een genuanceerd gesprek over het op tijd slikken van vitamientjes en op tijd je bedje in gaan. Het is de schuld van het land. Dit moeras dat nooit, nee nooit, ingepolderd had mogen worden. Dan was een ieder die ellende bespaard gebleven. Een ‘boutade’ is een uiting van misnoegen, een stijlvol weergegeven brok chagrijnigheid. En de dichter beheert de techniek om de boutade te laten voldoen aan alle regelen der dichtkunst. Drie strofen met gepaard rijm en volgens een strak metrum. En waar de woorden langer zijn dan het metrum dat toestaat, wordt er een lettergreepje weggesmokkeld. En zo kan een negentiende-eeuwse dichter het woord ‘vrede’ laten rijmen op ‘zee’.

 

Boutade

‘Den Geliefden Dichter Zijne Dankbare Vrienden’ staat geschreven op de achterzijde van de steen

O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen,
Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp,
Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen,
Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp!

O saaie brij-moeras, o erf van overschoenen,
Van kikkers, baggerlui, schoenlappers, moddergoôn.
Van eenden groot en klein, in allerlei fatsoenen,
Ontvang het najaarswee van uw verkouden zoon!

Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen
Tot modder; ’k heb geen lied, geen honger, vreugd noch vreê.
Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vaderen,
Gij  – niet op mijn verzoek – ontwoekerd aan de zee.

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Advertenties