Een vredesduif van 50 kilo – Leo Vroman

Voor wie leidt aan powémofobie, de angst om een gedicht te lezen, biedt deze blog een mild medicijn. We pakken vier regels van een gedicht en daarmee gaan we kijken waar ze bij aan horen, wat er aan voorafgaat en, mag dat? ja vandaag mag dat, we bekijken wat de dichter ermee ‘bedoeld’ kan hebben. Het zijn vier regels die je vaak tegenkomt en die een beetje een eigen leven zijn gaan leiden en zeker in de periode dat we in Nederland de oorlog herdenken aan het begin van de meimaand:

Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

Telkens als iemand herhaalt op welke manier de vrede is weergekeerd zal ik huilen van vreugde, zegt de ‘ik’ in dit gedicht. De dichter is Leo Vroman en het is bekend dat Vromans ‘ik’, de lyrische ik zeggen de vakmensen, in veel gevallen gewoon de dichter Leo zelf is. De vier regels zijn mooi en lieflijk. Natuurlijk rijmen de regels, want bij Leo Vroman rijmt het al snel, zijn hele werk staat vol met eindrijm en stafrijm en binnenrijm en noem-maar-op-rijm. Wie door zijn hele werk heenbladert merkt dat de gedichten steeds minder bedacht en steeds meer natuurlijk zijn, alsof het rijm uit zichzelf op de plaats gaat staan.

In de Top-10

Zelfs de titel van de bloemlezing van Vromans werk uit 2015 draagt als titel een regel uit het gedicht ‘Vrede’ dat in 1957 verscheen in de bundel Uit slaapwandelen: Alle malen zal ik wenenEn de vier regels staan ook weer achter op het boek [Hengel, van 2015]. Als zachtmoedige introductie aan een ieder om toch vooral de bloemlezing binnen te treden. Kom maar: u kent deze dichter al een beetje, veel moeilijker wordt het niet. Want het ís een heel bekend gedicht. ‘Vrede’ staat op de vierde plaats in de NRC-top 100, ergens tussen ‘Denkend aan Holland’ van Marsman en ‘Het Huwelijk’ van Elsschot. Een klassieker is het en een bloemlezingkanon. Het is één van Vromans zeven gedichten die zijn terecht gekomen in de bloemlezing van Pfeijffer uit 2016 (is de bijnaam De Pfafferige Pfeijffer al geopperd?). Een één van Vromans tien gedichten in Komrij 2004. Erkend en bekend, kan het mooier?

Vol van kirrende verhalen

Zullen we een poging wagen om samen het hele gedicht te lezen? Dat doen we stap voor stap door te lezen en te herlezen. En we proberen zoveel mogelijk informatie te halen uit het gedicht zelf, slechts een beetje geholpen door wat we weten over dichtkunst. Bijvoorbeeld: als we merken dat we met een sonnet te maken hebben, kan er wel eens tussen regel 8 en regel 9 een verschuiving optreden, dat hoort bij sonnetten. Kijk vast even naar vorm en omvang van het gedicht. Lijkt het een veertienregelig sonnet? Nee, deze is echt wel wat langer.
We lezen eerst het gedicht één keer helemaal door. We proberen vast te begrijpen wat direct voor de hand ligt. Waar we nog geen raad mee weten, laten we nog even liggen. Sommige zaken worden bij herlezing duidelijker, sommige zaken kun je over blijven nadenken. Aardig om het daar met een andere liefhebber over te hebben, iedereen ziet zo zijn eigen dingen in wat hij leest.
Bij een eerste lezing komen we de vier veel geciteerde regels tegen aan het einde. De ‘ik’ krijgt niet genoeg van de boodschap dat de oorlog voorbij is. Aan het begin van het gedicht zien we iets vergelijkbaars met als verschil dat het allemaal nogal groots is. De ‘ik’ zegt eigenlijk: hoe weinig subtiel je het ook brengt, hoe bombastisch de boodschap ook is: ik luister omdat ik de conclusie zo mooi vind. Want groots is het: niet een eenvoudig vredesduifje met een bescheiden olijftakje komt langs om de vredesboodschap te brengen. Nee, het is een uit de hand gelopen genetisch experiment waarbij de duif 50 kilo weegt en vanwege zijn grootte en kracht geen genoegen neemt met een takje: een hele olijfboom sleept hij mee. De duif overdrijft het allemaal een beetje: de verhalen zijn te zoet, de vrouwen die het loflied zingen zijn met elkaar overenthousiast. De ‘ik’ kan het hebben, niet eenmaal, zelfs honderdmaal. Elke keer zal het hem tot diep in zijn ziel raken. Tot tranens toe, er wordt niet gehuild, er wordt ‘geweend’.

De drie strofen die tussen begin en einde staan hebben nu als taak om de lezer mee te nemen in het waarom. Wat maakt dat de vredesboodschap zo goed wordt ontvangen? De strofen vertellen over de waanzin van de oorlog, het op afstand zijn van de geliefde, de verschrikkelijke nachtmerries met kinderen als slachtoffer. De regels zijn niet moeilijk hoewel de dichter soms lastige beeldspraak gebruikt zoals die van de ketsende leisteen.

De zin van zinnen

Een goede manier om wat greep te krijgen op een gedicht is om de onderliggende zin te pakken te krijgen. Vroman werkt soms met gewone zinnen die hij laat onderbreken door allerlei bijkomstigheden die ook moeten worden verteld of die de vorm verfraaien. Kijk even of je de structuur kunt vinden, zoals bijvoorbeeld in de tweede strofe: sinds dit, sinds dat, ben ik te dit om dat te doen. Dat is de kapstok waar de strofe aanhangt en waar Leo Vroman zijn beeldspraak binnen gebruikt. Let bij die tweede strofe op de woorden die te maken hebben met vocht: tranen, droogte, droog, zweten. Al het water trekt uit de mensen die in ellende verkeren.
Ook in de tweede strofe geeft de structuur houvast: liefde is dit als ik moet leven zonder dat, want het dit schrikt mij nu nog het bed uit. En dan blijkt dat de geliefden, hoewel ver van elkaar de ellende meegemaakt, min of meer synchroon dromen over hun belevenissen alsof ze het allemaal nog een keer moeten doorstaan. Om het koud van te krijgen en dan is het gedicht nog niet af. Je begrijpt steeds een stukje beter waar de eerste en de laatste strofe naar verwijzen.
Sluit de tweede strofe nog af met de opmerking dat de geliefden elkaar dromend horen, de derde strofe sluit daarbij aan. De ‘ik’ is in zijn droom aan het vloeken en hij vraagt daar begrip voor. Hij ziet vuur in zijn dromen en die dromen kun je gerust nachtmerries noemen waar zelfs kinderen de dupe worden van verbranding en ellende. Strofe twee, drie en vier bouwen het op en in de vierde krijgen we het dieptepunt van alle ellende heel beeldend te zien. We kijken als lezer mee naar wat er gebeurt in de droom en dat zijn indringende beelden met o.a. bloedrode vlammen van rood bloed en een gewurgd kind. Nu begrijp je opeens erg goed waarom in de eerste strofe de overdrijving niet erg wordt gevonden om de vrede te bezingen. De dichter herhaalt de overdrijving niet. We hebben de ellendige beelden nu ook op ons netvlies en ook wij hebben die overdrijving niet nodig om de hoofdboodschap te kunnen begrijpen: het is goed dat de oorlog voorbij is. In die gedachte vieren wij in Nederland met elkaar 4 en 5 mei, eerst via de dodenherdenking en dan via het bevrijdingsfeest. Ik hoop dat Vromans gedicht daarbij nog vaak wordt gebruikt.

VREDE

Komt een duif van honderd pond,
een olijfboom in zijn klauwen,
bij mijn oren met zijn mond
vol van koren zoete vrouwen,
vol van kirrende verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaalt ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

Sinds ik mij zo onverwacht
in een taxi had gestort
dat ik in de nacht een gat
naliet dat steeds groter wordt,
sinds mijn zacht betraande schat,
droogte blozend van ellende
staan bleef, zo bleef stilstaan dat
keisteen ketste in haar lenden,
ben ik te dicht en droog van vel
om uit te zweten in gebeden,
kreukels knijpend evenwel,
en ‘vrede’ knarsend, ‘vrede’, ‘vrede’.

Liefde is een stinkend wonder
van onthoofde wulpsigheden
als ik voort moet leven zonder
vrede, godverdomme, vrede;
want het scheurende geluid
waar ik van mijn lief mee scheidde
schrikt mij nu het bed nog uit
waar wij soms in dromen beiden
dat de oorlog van weleer
wederkeert op vilte voeten,
dat we, eigenlijk al niet meer
kunnend alles, toch weer moeten
liggen rennen en daarnaast
gillen in elkanders oren,
zo wanhopig dat wij haast
dromen ons te kunnen horen.

Mag ik niet vloeken als het vuur
van een stad, sinds lang herbouwd,
voortrolt uit een kamermuur,
rondlaait en mij wakker houdt?
doch het versgebraden kind,
vuurwerk wordend, is het niet
wat ik vreselijk, vreselijk vind:
het is de eeuw dat niets geschiedt,
nadat eensklaps, midden door een huis,
een toren is komen te staan van vuil,
lang vergeten keldermodder,
snel onbruikbaar wordend huisraad,
bloedrode vlammen van vlammend
rood bloed, de lucht eromheen behangen
met levende delen van dode doch
aardige mensen, de eeuwenlange stilte voor-
dat het verbaasde kind in deze zuil
gewurgd wordt en reeds de armpjes
opheft.

Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

Leo Vroman

Zullen we even luisteren hoe Leo Vroman zelf dit gedicht voorleest?

Advertenties