Inburgeren in het Rijmrijk, afl. 1

Er zijn meer dichters dan mensen die gedichten lezen. Veel mensen vinden het prettig om lastige gevoelens in een taalvorm te gieten. Die gedichten zijn meer bedoeld voor heling. Dat is heel functioneel en toch zijn dat vaak niet de gedichten die uitgevers in een bundel zetten en in de verkoop doen. De bundeldichters proberen juist iets onder woorden te brengen dat wel heel persoonlijk lijkt, maar eigenlijk gaat over ons allemaal. En als ze dat lukt, hebben we te maken met een kunstvorm en minder met een persoonlijke expressievorm.

Er zijn ook mensen die genieten gewoon van taal als fenomeen op zichzelf. Taalspelletjes, taalgrapjes, taalfeitjes. Daar zijn er bij die het leuk vinden om met de taal te knutselen, bijvoorbeeld in de vorm van rijmpjes of speelse versjes. Die mensen leven op als begin december er weer een berg verzen gemaakt moet worden die een cadeautje beschrijven zonder te verraden wat het is en die ook nog wat plaagstoten uitdelen aan de ontvanger van het cadeau. Tegen de tijd dat we de verjaardag van de Heilige Nicolaas vieren, met zijn al dan niet zwarte assistent, is er een grote behoefte aan rijmwoordenboeken of een rijmwoordenwebsite.

Cursus Dichten

Voor alle soorten dichters zijn er in de lange historie van het Rijmrijk instructieboeken geschreven. Ik ben daar dol op. Als ik er weer eens een tegenkom, wil ik hem graag opnemen in mijn verzameling, ongeacht voor welke taal of welke doelgroep. Er hoeft in al die boekjes maar één zin te staan die het Grote Geheim openbaart over hoe je echt mooie gedichten kunt maken en mijn doel is bereikt. Bovendien is het zo aardig om te bekijken op welke manier de Rijmrijkinstructeurs te werk gaan. Waar de een veel ruimte in zijn boek neemt voor de mogelijkheden van het metrum of het rijm, gaat de ander daaraan voorbij en concentreert zich op beelden die je wil oproepen. Ik vreet deze instructies.

Zo kwam ik in boekendorpje Bredevoort in een van de buitenboekenkasten een geinig ogend boekje tegen waarin mij als lezer de belofte wordt gedaan dat ik in één (1!) uur dichter kan worden via de aangeboden ‘snelcursus voor het betere rijmwerk’. En dit alles onder het motto ‘Beter goed gejat dan slecht bedacht’. Wie zou er niet een euro willen neerleggen voor zo’n geweldige belofte? Wim Koesen is de auteur die zijn best ervoor heeft gedaan en het boekje stamt uit 1995. Er zijn oudere boeken die ik waardeer, dus door jaartallen mag je je nooit laten tegenhouden. Maar de dichter die Koesen belooft van je te maken is wel een rijmelaardichter. De snelcursus richt zich op het ‘betere rijmwerk’… En hij draagt heel veel voorbeelden aan voor allerlei gelegenheden met het aanbod daar gewoon zaken van over te nemen. Daar komt de aanbeveling terug van de voorpagina: ‘Beter goed gejat dan slecht bedacht’. Kopieer Koesen en je doelstelling om binnen een uur dichter te zijn wordt bewaarheid. Over dichterlijke vrijheid gesproken!

Geboden voor het goedbevonden gedicht

  • Durf uzelf te zijn
  • Schrijf normaal
  • Kies één thema per gedicht
  • Clichés zijn oké
  • Rijmen, geen kunst aan
  • Het ritme doet een vers swingen
  • Wissel eens van rijmschema
  • Rijm met lef
  • Dicht voor de doelgroep
  • Maak uw eigen gebod

Dit zijn de tien geboden die Koesen meegeeft aan de leerling-dichters. De eerste drie wil ik zeker onderschrijven. Ga niet de zogenaamde dichter uithangen met om de drie regels een roos of een volle maan: “Een waarachtig dichter als Achterberg vond prachtige beelden in gasfittersgereedschap.” Maar bij het gebod Clichés zijn oké, frons ik toch even de wenkbrauwen. Koesen verklaart: “De strop waaraan veel gelegenheidsdochters zich ophangen, is de krampachtige behoefte om origineel te doen, waarmee men een heel wildebeestenbos vol geforceerde beeldspraak op het vers loslaat.” De tegenstelling is dus cliché tegenover geforceerdheid.
Een goed gebod vind ik Het ritme doet een vers swingen omdat beginnende dichters inderdaad zich vaak alleen concentreren op het eindrijm en daarbij het metrum buiten beschouwing laten. Koesen ziet dat ook: “Negentig procent van de sinterklaasverzen wordt niet zozeer gekenmerkt door armetierige rijmdwang, maar door een hopeloze on-cadans.” Helemaal blij ben ik met het laatste gebod: als één van de geboden je niet bevalt, verander hem dan. Vrij vertaald: het niet volgen van geboden is verre van verboden. Dat zei Mozes niet toen hij na een moeizaam proces met de twee stenen aan kwam zetten waarop de tien geboden stonden gebeiteld. Koesen: “Souplesse van geest is belangrijker dan gehoorzaamheid aan de tien geboden.” Zo zijn we weer thuis: zelf blijven denken, ook al haal je dan niet de deadline om binnen één uur dichter te zijn geworden. Dichter ben je al als je op je vierde ontdekt dat koe rijmt op moe en als je daar zelf wat aan toe kunt voegen. Dat kan ook binnen een minuut.

Verboden te rijmen

Er waren tijden dat een gedicht per definitie móest rijmen aan het einde van de regels, anders was het gewoon geen gedicht. Lekker simpel. Die tijd is voorbij. Er kwamen andere vormen, aangedragen door vernieuwers en experimentelen. Die nieuwe vormen werden tóch aangeduid als gedicht hoewel het eindrijm totaal geen rol meer speelde. In de jaren na het binnenstormen van de Vijftigers werd het zelfs verdacht om een gedicht te laten rijmen. Serieuze poëzie, vond de criticus van toen, stuitert alle kanten op maar daar hoort geen rijm meer bij. Annie M.G. Schmidt, tegenwoordig min of meer heilig verklaard voor al het fraaie werk dat ze heeft nagelaten, werd beschimpt door die serieuze kunstbewakers in de jaren vijftig. Gefluisterd wordt dat het haar bijna van de poëzie heeft afgehouden. Het volgende gedicht is vast uit de periode dat ze er vrede mee had dat haar werk niet voor vol werd aangezien. Het gedicht steekt de draak met het ‘verplichte’ modernisme en het neerkijken op vakmatige zaken als rijm en metrum (‘van póm de róm de róm). Dat is slechts een trend weet de ‘ik’, er komen vast weer tijden dat de dichttechnieken wél weer worden gewaardeerd. En inderdaad… er kwamen weer andere tijden.

Een dichter

Piet Pluimers wou het liefste verzen schrijven
over wat late rozen in de zon.
Hij was een dichter en hij wou het blijven.
Hij schreef sonnetten toen hij pas begon.

Het rijmde ook. Maar and’re dichters zeiden:
je mag niet rijmen joh, ’t is geen gezicht!
Je moet zorgvuldig alle rijm vermijden,
want een gedicht dat rijmt is geen gedicht.

En dan dat metrum! Dat is uit de mode.
’t Mag niet van rál de ral de rál de ral.
Punten en komma’s, jongen, zijn verboden.
En denk erom: geen hoofdletters vooral.

En nooit een hele zin. Alleen maar brokken.
En rozen mógen wel een keer, maar dan
slechts in verband met baarmoeders en sokken
en zó dat niemand het begrijpen kan.

’t Is maar een weet, we zeggen ’t je maar even.
Piet had het spoedig door en hij zei: o.
Hij heeft diezelfde dag een vers geschreven,
zijn eerste echte vers. En dat ging zo:

‘ik drijf spelden van wanhoop
in de huid van je
grutten wezenloos
woezie woezie 17 en
klaan uit je klukhaar versuikeren
bleke bliezen in schedels met spuigaten
vol blauw gehakt.’

En toen zei iedereen: dat is reusachtig!
En Paul Rodenko schreef een heel lang stuk
in ‘Maatstaf’ om te laten zien hoe prachtig
het was. Vooral dat ‘woezie’ en dat ‘kluk’.

Alleen Piet Pluimers zelf was niet tevreden.
Hij wou zo graag eens rijmen, want helaas,
hij heeft nu eenmaal ’t rijm onder z’n leden.
Maar nee, hij mag alleen met Sinterklaas.

En hij wou graag één keer een komma zetten.
Ach Piet! Over tien jaren slaat het om!
Dan rijmt men weer. Dan maakt men weer sonnetten.
Dan gaat het weer van póm de róm de róm.

Annie M.G. Schmidt

Advertenties