Het statig zingen van mijn geschonden land – Ida Gerhardt

Dat is leuk van de website met Straatpoëzie, je kunt op zoek naar gedichten in de stad waar je woont, werkt of wandelt. Voor mijn blog over Ida Gerhardt was ik alle vindplaatsen van haar gedichten in de buitenlucht aan het inventariseren en, nee toch, echt waar, er blijkt ook een gedicht van haar te vinden in Apeldoorn: het bekende gedicht Het Carillon.

Adres intikken in Google Maps en wandelen naar de plek. Ik kom aan bij een indrukwekkend monument waar wordt herdacht dat op 22 januari 1943 alle Joodse patiënten en verzorgers zijn weggevoerd door de Nazi’s uit de zorginstelling voor geestelijk gehandicapten Het Apeldoornsche Bosch. Jaarlijks komen hier nog mensen samen en worden er kransen neergelegd. Op het monument staat niet het hele gedicht Het Carillon maar één veelbetekenende regel uit het gedicht: Nooit heb ik wat ons werd ontnomen / zo bitter, bitter liefgehad.

Een los regeltje rijm

Sommige gedichten zijn zo bekend dat een enkele zin eruit het hele gedicht kan vertegenwoordigen. Sommige van die zinnen zijn zo vaak buiten het gedicht gebruikt dat men soms niet meer weet waar ze vandaan komen. Dichter J.C. Bloem heeft regels gestopt in zijn gedichten die gemakkelijk een eigen leven kunnen leiden:

  • Domweg gelukkig in de Dapperstraat
  • Denkend aan de dood kan ik niet slapen, / En niet slapend denk ik aan de dood,
  • Is dit genoeg; een stuk of wat gedichten, / voor de rechtvaardiging van een bestaan

Ook uit het werk van Willem Elsschot hebben zich regels losgezongen uit hun oorsprong. De regel “want tussen droom en daad staan wetten in de weg” spreekt velen tot de verbeelding. Hij werkt ook zo mooi omdat er twee alliteraties in zitten: droom-daad en wetten-weg. Wie loopt er soms niet aan tegen de beperkingen van de werkelijkheid? De zin komt uit het overbekende gedicht Het Huwelijk van Willem Elsschot waarin een man zijn echtgenote heel kritisch bekijkt en eraan denkt weg te moeten. Weg van de tralies van het huwelijk en het wilde leven tegemoet met een jonge en vitale blom. Dan komt ook de gedachte boven dat het vermoorden van de echtgenote de bevrijding brengt. Maar ja, dat doe je niet zomaar:

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Eigenlijk vind ik de regel van de onverklaarbare weemoedigheid die je ’s avonds overvalt minstens even mooi, maar die wordt zelden geciteerd.

Een luisteren

Weet de lezer nog wat een carillon is? Een verzameling kerkklokken van verschillende grootte die allemaal een eigen toonhoogte hebben. Zo ontstaat een muziekinstrument dat ver over de landerijen te horen is. De bespeler wordt niet de ‘carillonist’ genoemd, wat best logisch zou zijn omdat we ook de accordeonist kennen, maar de muzikant heet de ‘beiaardier’. Waar komen al die woorden vandaan? We lenen wat zinnen van WikipediaVolgens de definitie is een beiaard een muziekinstrument bestaande uit op elkaar afgestemde bronzen klokken en bespeelbaar door middel van een stokkenklavier. Alleen beiaarden van ten minste 23 klokken dan wel met een klokkenreeks die zich chromatisch of diatonisch uitstrekt over ten minste twee octaven, komen in aanmerking om carillon genoemd te mogen worden. Het woord carillon is een verbastering van quadrillon. In dat woord is het getal vier te herkennen. Het betekende oorspronkelijk een wekkering of voorslag, vier klokjes die een melodietje speelden om de uurslag aan te kondigen. Het woord beiaard komt wellicht van het oudere woord beieren, waarmee bedoeld werd dat men verschillende klokken kon doen luiden door met riemen aan de klepels te trekken of er met hamers op te slaan (door een beierman). 

Wat ons werd ontnomen

Het Carillon is een klassiek opgebouwd gedicht met viervoetige jamben. Vijf strofen met ieder vier regels met voortdurend wisselend rijm (abab). Wat gebeurt er zoal? De ‘ik’ hoort een carillon en die maakt veel indruk. Van belang is het om te weten dat dit gedicht is geschreven in het tweede jaar van de bezetting. In 1941 verscheen het in het literaire tijdschrift De Gids. Vanaf het begin van de oorlog censureert de Duitse bezetter alles wat maar een beetje op kritiek lijkt. In die zin is de opmerking van een ‘geschonden land’ een gevaarlijke. De beiaardier speelt een liedje uit de muziekbundel met werk van de 17-e eeuwse componist Adriaen Valerius met de titel Valerius’ Gedenck-Clanck: ‘O heer, die daar des hemels tente spreidt’. Dat weten we omdat de geciteerde regel ‘Wij slaan het oog tot U omhoog’ uit dat lied komt. Ida Gerhardt kent het goed omdat dit lied ook staat in de gezangenbundel van Ida’s eigen kerk, de Hervormde Kerk. Zingen van het volkslied is streng verboden, zelfs verwijzingen ernaar worden afgestraft, maar er zijn populaire liederen die bij de bevolking het gevoel van het volkslied oproepen.

Veel actie kent het gedicht niet. De ‘ik’ luistert en de muziek brengt een overweldigend gevoel naar boven, een verlangen naar datgene wat door de oorlog abrupt is afgenomen, een bitter verlangen. Nee, een bitter, bitter verlangen. Verlangen naar vrijheid. Dat was de essentie van wat de mensen werd ontnomen in 1941: het recht om zelf te bepalen wat je wil zingen of zeggen. Maar de oorlog gaat door en er wordt de mensen steeds meer afgenomen. En zo zie je dat de betekenis van deze regels zijn gaan groeien met het verlopen van de tijd. Al die mensenlevens, onschuldige mensen die zorg nodig hadden en die zonder pardon zijn meegenomen, ontnomen van hun familie. En om die reden maken de regels extra indruk daar op dat herdenkingsmonument in het Prinsenhof te Apeldoorn.

Het Carillon

Ik zag de mensen in de straten,
hun armoe en hun grauw gezicht, –
toen streek er over de gelaten
een luisteren, een vleug van licht.

Want boven in de klokketoren
na ’t donker-bronzen urenslaan
ving, over heel de stad te horen,
de beiaardier te spelen aan.

Valerius : – een statig zingen
waarin de zware klok bewoog,
doorstrooid van lichter sprankelingen,
‘Wij slaan het oog tot U omhoog.’

En één tussen de naamloos velen,
gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luistr’ren naar dit spelen
dat zong van mijn geschonden land.

Dit sprakeloze samenkomen
en Hollands licht over de stad –
Nooit heb ik wat ons werd ontnomen
zo bitter, bitter liefgehad.

Ida Gerhardt (1905 – 1997)

Advertenties