Retourtje Rijmrijk – Kopland (2/2)

Dichten als ambacht

1-ejp_9238-1

Een bijzonder boek vond ik in het Apeldoorns antiquariaat ‘De Tweede Lezer’. Het heet Twee ambachten en lijkt te zijn geschreven door twee auteurs, maar Rutger Kopland en R.H. van den Hoofdakker zijn twee namen voor dezelfde persoon. Mijnheer van den Hoofdakker is echter psychiater en mijnheer Kopland dichter. Dat heeft veel mensen verleid tot de vraag waar deze twee ambachten elkaar raken. Dat antwoord komt eigenlijk nauwelijks voor in het boek, maar je leert spelenderwijs wel een en ander over de actuele discussies in de psychiatrische zorg. Voor de Rijmrijkers is het tweede deel interessanter omdat daar artikelen en lezingen staan waarin de dichter meer vertelt over hoe hij te werk gaat als dichter.

Poëzie huilt niet,  scheldt niet, zij toont…

Komen we dan niets tegen over de grens tussen Rijmrijk en de Psycheprovincie? Heel soms wel. Rutger Kopland legt uit dat een dichter net zoveel afstand moet zien te houden van zijn onderwerp als een geneesheer. We citeren een passage op pagina 120 [Kopland, 2003]: “Ik heb een beroepsleven lang – ik bedoel als dokter – de verschrikkelijkste dingen gezien, die mij met protest en deernis vervulden. Maar woede en deernis zijn niet de afdoende voorwaarden voor engagement. De belangrijkste voorwaarde is de afstand, de nieuwsgierigheid, de vraag wat er aan de hand is, de vraag naar wat protest en deernis wekt. Een dokter moet het verschrikkelijk vinden iemand te zien zieltogen, maar als hij het daarbij laat, is hij een prutser, hij moet vragen waar de pijn zit, de pols voelen, aan het hart luisteren, in de buik voelen en veronderstellingen bedenken over het waardoor en waarom van zijn bekommernis. Vanuit deze houding moet ook poëzie worden geschreven. In dit perspectief zijn grote gevoelens in de poëzie futiel. Poëzie huilt niet, scheldt niet, zij toont.” Dit is een passage uit het dankwoord van Rutger Kopland toen hij de VSB-poëzieprijs ontving in 1998. In dat dankwoord reageert hij op de oproep van Koos van Zomeren om eens een gedicht te schrijven over een zeug. Koos maakte zich in die tijd erg druk over de misstanden in de varkensfokkerij. Maar dichter Kopland voelt zich niet zo thuis in de protestpoëzie noch in de opdracht van stadsdichters of dichters des vaderlands om de actualiteit te verwerken. Voor hem is het gewone leven al lastig genoeg om er via de poëzie grip op te krijgen.

Iets zeggen over iets dat eigenlijk niet te zeggen valt

Kopland is vaker gevraagd een gedicht te maken dat als commentaar op actuele gebeurtenissen kon worden gebruikt. Hij heeft het soms nog braaf gedaan ook. Het zeuggedicht is er gekomen. Maar in een artikel over dit soort vragen vertelt hij ons ook wat hij zelf ziet als de essentie van zijn gedichten. [Pagina 105 in Kopland 2003]: “Mijn eigen poëzie is niet de neerslag van een visie op de actualiteit van het menselijk leven, het gaat in mijn poëzie veel meer om de ‘condition humaine’, onze verwikkeldheid in de ‘diepste’ kwesties van ons bestaan. We zijn uitgeleverd aan de tijd, we komen uit het niets en keren daarin terug en we weten dat. Intussen leven we in de paradoxale situatie van gedetermineerd en vrij te zijn, de dood te haten en te moeten aanvaarden, de wereld te willen kennen en er zelf deel van uit te maken. Die situatie, die moet zichtbaar worden in mijn gedichten. Kwesties waar iedereen mee zit, ongeacht herkomst, religie of politieke overtuiging, ongeacht maatschappelijke situatie. Werkelijkheid, jawel, maar dan beschreven in een taal waarin vragen worden gesteld, antwoorden verworpen, andere vragen gesteld, andere antwoorden verworpen, ad infinitum, omdat dat de enige manier is om iets te zeggen over iets dat eigenlijk niet te zeggen valt en daar toch om vraagt.”

Herinneringen aan iets onbekends

En in een artikel dat Rutger Kopland schreef bij een tentoonstelling gaat het eerst over zijn relatie met architectuur. Maar dan breder over de kunst en de ontroering die kunst op roept. [Pagina 126 in Kopland 2003] “Wat is het toch, denk ik, dat mij ontroert? In de essaybundel Het mechaniek van de ontroering schreef ik: bij ontroering is het alsof je herinnerd wordt aan iets onbekends, alsof een sleutel een slot in je lichaam en je ziel opent, waarvan je niet wist dat je het in je had, alsof je iets leest of ziet, waarvan je niet wist dat je het wist. Ontroering is een gevoelloos voelen, een gedachteloos denken, waarvan de inhoud nog het beste kan worden benaderd met: zo is het, zo was het, en zo zal het altijd zijn, of, anders gezegd, ik zie dit, niet omdat ik het er zelf van maak, maar omdat het zo is.
En in een andere essaybundel Mooi, maar dat is het woord niet, beweer ik dat ontroering eigenlijk altijd ontstaat op die momenten, waarop men zich van zijn dubbele positie ten opzichte van de wereld bewust wordt: die van deelnemer aan, onderdeel van de wereld, en die van buitenstaander. Ontroeringen hebben een gemeenschappelijke noemer: we beseffen dat we tot deze wereld behoren, de wereld geeft ons even een antwoord op de vragen waar we zijn, waar we vandaan komen, waar we naartoe gaan, en tegelijkertijd wordt het ons op dat moment duidelijk dat de wereld buiten de ‘onze’, buiten degene die we kennen, die we ons herinneren, de ‘echte’ wereld, volstrekt onverschillig is jegens ons; hoezeer wij ook van haar houden, haar haten, wantrouwen, vrezen, zij gaat haar eigen niets ontziende gang, zij ziet ons en vergeet ons op hetzelfde moment. Zij kent geen tijd. Ontroering, kortom, is een toestand waarin de onbewuste vanzelfsprekendheid van onze relatie met de wereld is verstoord. Het is een eigenaardig ‘objectief’ besef, dat we verdriet of vreugde proberen te noemen, maar het niet is. Alleen het woord ‘eenzaamheid’ komt in de buurt. Als we de tijdelijkheid en de vluchtigheid van ons verhaal over de wereld herkennen blijft die eigenaardige eenzaamheid over.
Deze eenzaamheid wordt opgeroepen door poëzie. Maar niet alleen door poëzie. Alle kunst doet dat. (…)” Rutger Kopland verklaart Rutger Kopland. Dat lijkt overbodig want zo ingewikkeld zijn de gedichten van hem toch niet? Nee, zijn gedichten zijn zonder uitleg goed te lezen, maar met wat achtergronden van de dichter zelf, krijgen ze meer lading en wordt de samenhang in het oeuvre duidelijker.

Kopland in bloemlezingen

Rutger Kopland is een geliefd dichter in Nederland. Zijn verzameld werk wordt nog steeds goed verkocht en hij komt terug in de relevante bloemlezingen. In het volgende overzicht zien we hoeveel gedichten er voorkomen in de genoemde bloemlezing en hier en daar welk gedicht is uitverkoren.

Komrij 1979 6 Met o.a.:

  • Onder de appelboom
  • Jonge sla
  • Juffrouw A.
Komrij 2004 7 Ten opzichte van de 1979-versie meer uit latere bundels. Overlap met 1979 met:

  • Onder de appelboom
  • Jonge sla
  • Juffrouw A.
Deleu 7 Met o.a.:

  • Onder de appelboom
  • Vertrek van dochters
NRC – Top 100 3 Met als hoogste notering 12 voor ‘Jonge sla’
DGD oftewel Domweg Gelukkig, in de Dapperstraat
[Aarts & Van Etten, 1994]
2
  • Jonge sla
  • Vertrek van dochters
Vegter 2015 3 O.a.  Vertrek van dochters
De Boomsmabundels [2011, 2013, 2015] 3
Anker [Stassijns & Van Strijtem, 2003] 1 Tijd
Wilmink 2002 2 O.a. Onder de appelboom
Pfeijffer 2016. ?

Een brief waarin ik iets wilde begrijpen

Via de poëzie op zoek naar de essentie van het leven. Het staat zo mooi beschreven in het gedicht ‘Brief’. Er is alsmaar die afstand van de ‘ik’ die doet en de ‘ik’ die dat nauwlettend bestudeert. De ik wil iets gaan schrijven omdat dan de ik het ook kan gaan begrijpen. Maar de ik die moet schrijven doet dat zo langzaam dat de andere ik vind dat het begrijpen er zo niet van komt. En de tweede ik blijft met de blik hangen op het schrijfproces zelf: de hand wordt geobserveerd. Wat levert de observatie op? Het handschrift toont het geborgene van een huis. En weer is er alleen maar de manier om meer over dat huis te weten te komen door een brief te schrijven en dan te doorgronden waar in het handschrift dat huis zich uit. Het werkt niet: het tekenen van letters, het schrijven dus, gaat voor het denken uit. Eerst iets op papier en dan pas volgt het begrijpen, maar dan is het moment al voorbij. Zo komen de werelden van de twee ‘iks’ nooit samen: die van de onbewuste voelende woordentekenaar en de leergierige weter. Misschien zegt dit gedicht ook iets over de manier waarop Kopland aankijkt tegen zijn dichterschap: door het schrijven ontstaat het begrijpen, maar echt begrijpen doen we het niet. Het bewuste en het onbewuste schurkt wat tegen elkaar aan. Soms levert schrijven inzichten op, maar het is niet stuurbaar. Zoals hierboven al is geciteerd: “alsof je iets leest of ziet, waarvan je niet wist dat je het wist”…
Blijf gerust nog wat weekjes hangen in het schone Kopland, uw retourtje verloopt voorlopig niet en er is een dikke bundel gedichten die het verblijf veraangenaamt. De andere dichters in het Rijmrijk wachten wel even.

Brief

Vandaag zou ik je een brief schrijven
een brief waarin ik iets wilde begrijpen

maar ik deed dat niet, het ging te langzaam
ik schreef en ik keek naar mijn hand

hoe die hand langzaam woorden tekende

er ontstond in dat handschrift iets als
een huis – ik wilde weten waarin we woonden

om dat te begrijpen zou ik een brief schrijven
maar ik zag alleen de voorzichtige woorden

die ik tekende voor ik ze begreep

Rutger Kopland

Uit de bundel ‘Tot het ons loslaat’ uit 1997. Luister hoe de dichter het gedicht zelf voorleest:

Advertenties