Retourtje Rijmrijk – Kopland (1/2)

1-ejp_9235-1Laten we het Rijmrijk verlaten en een weekendje verpozen op Kopland, een eiland ten noorden van het Rijmrijk, hoe kan het anders… Kopland is genoemd naar de dichter Rutger Kopland die leefde van 1934 tot 2012 maar bij de burgerlijke stand bekend was onder een andere naam: Rudi van den Hoofdakker. Wie het woord ‘hoofdakker’ tot zich laat doordringen begrijpt snel waar het pseudoniem vandaan komt. Rutger Kopland schreef 14 dichtbundels en met zes nagelaten gedichten heeft hij daarmee minstens 415 gedichten gemaakt en dat in 42 jaar van actief uitgeven. Ik heb ze geteld in de definitieve versie van de ‘Verzamelde gedichten’, de vijfde editie uit 2013. Sindsdien is ook een goedkopere versie uitgekomen, dus moedig ik de lezers maar weer eens aan het aan: loop een boekwinkel binnen en vraag er naar! Het doet echt geen pijn en hoewel je er voor moet betalen, kom je toch rijker thuis.

Een oeuvre lang leren

Stel dat het eerste gedicht in de allereerste bundel ook het eerst-geschrevene is en de laatste uit de laatste bundel de afronding van het oeuvre, dan zien we een aardige ontwikkeling. In de debuutbundel ‘Onder het vee’ uit 1966 lezen we in ‘Een psalm’: De grazige weiden de rustige wateren / op he behang van mijn kamer / ik heb geloofd als een bang kind / in behang (…). Dan maken we een sprong in de tijd door razendsnel te bladeren door de verzamelbundel. Zo komen we uit bij de afsluiter van de bundel ‘Toen ik dit zag’ uit 2008. Het derde gedicht van de cyclus ‘Aan het grensland’ eindigt zo: Je leest: dit uitzicht is het geval / en: het geheim van de wereld is het zichtbare // niet het onzichtbare. Je zou bijna denken dat de dichter er een heel oeuvre over heeft gedaan om tot een inzicht te komen. En volgens mij was dat ook zijn bedoeling: zijn poëzie moest hem helpen om te leren kijken naar de wereld. Ieder woord, ieder gedicht opent vensters (of deuren zegt hij zelf) in hemzelf die zijn kijk op de wereld bijkleurde.

Over het maken van een gedicht

… dat is de titel van een deel in de bundel ‘Al die mooie beloften’ uit 1978. Het zijn dagboekfragmenten die stapje voor stapje laten zien hoe een gedicht in zijn brein tot stand komt. Het gaat om het titelloze gedicht met de eerste zin: Geen gezicht, geen handen, geen haar, en altijd en dan volgt een enjambement naar de volgende regel een ander. In dat dagboek vertelt hij tussen de regels door wat voor hem een gedicht tot een gedicht maakt. Ik haal er wat citaten uit, we kunnen er zeker wat van leren. Ik gebruik [Kopland, 2013] voor de paginanummers.

  • Gedichten maken, is woorden vinden, woorden die onder woorden brengen, misschien is dichten woorden vinden voor wat er niet was, voordat die woorden er waren. (p. 203)
  • Poëzie maken is door deuren gaan, om te weten wat ik dan te zien krijg, nieuwe deuren misschien, o.k., maar ik zal het niet opgeven. (p. 205)
  • Iedereen treft in mijn poëzie het verloren paradijs aan, het verlangen daarnaar, de afgesloten deur, daarachter ligt het paradijs. O ja? Ik verlang niet naar vroeger, ik verlang naar ervaring waar ik zelf helemaal aan meedoe, met mijn hoofd en mijn hartslag, mijn ademhaling, mijn zweetklieren, mijn pik. Ik verlang naar ervaring en ervaring is nieuw, nu. (p. 205)
  • Veel van mijn gedichten zijn opgebouwd uit ontkenningen: het was niet zus, het was niet zo, het is geen dit, het is geen dat, waardoor er iets onuitgesprokens, iets onzichtbaars gestalte krijgt. Door veel bekends, ouds, vertrouwds te laten verdwijnen, voorbij te verklaren, kan er iets nieuws ontstaan.
  • Politieke poëzie is vaak situatiegebonden, al gauw niet actueel meer. Mijn bedoeling is om lang actueel te blijven, teksten te schrijven die in wisselende situaties en veranderende tijden geldig blijven. (p. 211)

Onderzoek naar de tijd

En zo is ieder gedicht van Rutger Kopland een klein onderzoekje naar de grote zaken: dood, tijd, plaats, verdriet. Ontdaan van alle emoties, ontdaan van het persoonlijke, er is altijd afstand genoeg om beschouwend te blijven. Lees eens het gedicht ‘Tijd’, het is verschenen in Over het verlangen naar een sigaret, een bundel uitgegeven in 2001. De tijd is er, ondanks onze aanwezigheid, wij varen slechts korte tijd mee op de golven van de tijd. Rutger Kopland heeft er veel over gezegd in een interview in NRC. Wie dat gesprek leest, merkt dat echt overal over is nagedacht. Het is een gedicht waaraan hard is gewerkt zonder dat het gekunsteld is geworden. Dat is de ware kunst.

Zullen we dan nog maar een dagje op Kopland blijven?

Tijd

Tijd – het is vreemd, het is vreemd mooi ook
nooit te zullen weten wat het is

en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder
dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven

zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt
naar iets in zichzelf, iets ziet daar
wat het meekreeg

zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten
van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat
een verte voorbij onze ogen

het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken
dat ooit niemand meer zal weten
dat we hebben geleefd

te bedenken hoe nu we leven, hoe hier
maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder
de echo’s van de onbekende diepten in ons hoofd

niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik
buiten onze gedachten is geen tijd

we stonden deze zomer op de rand van een dal
om ons heen alleen wind

Rutger Kopland

Luister hoe de dichter het gedicht zelf voorleest [Mandelinck, 2005] via ‘De zomers van Watou’:

Advertenties