Altijd asiel in het Rijmrijk – Al Galidi

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Rodaan Al Galidi leest voor uit zijn bundel ‘Koelkastlicht’

De zelfverklaarde ‘Asielzoeker des Vaderlands’ was ook op het literaire Tuinfeest in Deventer op 6 augustus: Rodaan Al Galidi. En omdat hij zijn eigen naam een keer uitsprak, weet ik nu dat de klemtoon op de eerste lettergreep hoort: Gálidi, dat deed ik dus eerder fout. Toch jammer maar ik ben niet de enige. Op het hoofdpodium stond hij voor te dragen met lekker veel mensen in het publiek. Zijn jongste bundel ‘Koelkastlicht’ had hij meegenomen het podium op, maar daar wilde hij eigenlijk liever niet uit voorlezen. Veel te deprimerend allemaal wat dat Koelkastlichtje allemaal meemaakt. Rodaan beperkte zich liever tot een deel van de bundel dat hij er speciaal in had gezet om de verkoop te bevorderen. Dat was ook de titel van dat deel van de bundel, zodat er geen misverstanden over kunnen ontstaan. Rodaan Al Galidi wil het vanmiddag allemaal niet te zwaar maken voor het publiek. Het belang van de poëzie mag worden gerelativeerd en de Nederlanders krijgen weer een spiegel voorgehouden over hun gekke gedrag met regeltjes en de dominante agenda. Maar de dichter legt voortdurend uit dat hij het niet meent, dus wie laat zich dan op de kast jagen? Even wordt het gevoelig en zelfs een beetje poëtisch ‘mooi’. Een liefdesgedicht uit zijn bundel wil hij graag accentloos laten horen en daarom roept Rodaan de hulp in van dichter Sjoerd Kuyper die ook op het festival een voordracht doet. Sjoerd werkt mee…

Schrijver of dichter?

De faam van Rodaan Al Galidi heeft sprongen vooruit gemaakt toen zijn boek ‘Hoe ik talent voor het leven kreeg’ bij De Wereld Draait Door door het boekenpanel de hemel in werd geprezen én door een interview met Adriaan van Dis. Dat gun je iemand die zo lang heeft moeten wachten op de erkenning om in een land legaal te mogen komen wonen. Maar los van het gunnen, is het ook een mooi boek. Lichtvoetig qua toon waardoor de wrange scènes eigenlijk nog harder binnen komen. De ‘ik’ in het verhaal heeft niet de naam van Rodaan zelf, maar veel anekdotes heeft hij eerder verteld in zijn columns en daar is wel sprake van een ‘ik’. Eigenlijk hoopte ik in ‘Talent’ ook meer te weten te komen over hoe hij zijn loopbaan in de poëzie is begonnen, maar de poëzie komt maar mondjesmaat voorbij.

Het Rijmrijk is, anders dan bijvoorbeeld de Republiek der Letteren, geheel gericht op poëzie en dichters. Maar moeten we dichters die een roman schrijven het Rijmrijk uitzetten? Niets daarvan. Iedereen krijgt onmiddellijk een generaal pardon als hij maar een stapje (een versvoetje) zet in het Rijmrijk. Overigens is dat wel een aardige discussie om te voeren over het verschil tussen het dichterschap en het schrijverschap. Sommige schrijvers zijn echt dichter en doen er wat schrijfwerk naast, sommigen kiezen de vorm op basis van wat zij duidelijk willen maken. Hugo Claus was een meester in alle genres, zelfs voor het toneel schreef hij meesterwerken. Het dichtwerk van Harry Mulisch is een marginaal gebeuren binnen zijn oeuvre, zijn romans zijn indrukwekkender. Remco Campert kan veel, maar ik vind het vooral een dichter. Dat is ook maar een mening van een liefhebber. En Rodaan Al Galidi?

Geen dichter

RAGOp de vraag van Paul Witteman (Podium Witteman van 8 november 2015) vanaf wanneer voor Rodaan het dichterschap begon antwoordt hij: “Al vanaf dat ik zes of zeven was, schrijf ik gedichtjes maar ik voel mij nooit een dichter. Je moet een beetje serieuzer zijn om dichter te zijn. En ik neem mijn woorden ook nooit serieus.” De dichter die geen dichter wil zijn. Dat dubbele zit in Rodaans hele oeuvre. Hij is de buitenstaander die meegaat als er vertaald moet worden, de beschouwer van zeden en gebruiken in zijn gekke nieuwe vaderland. Hij is er wel, maar is er niet. Het titelgedicht van zijn debuutbundel ‘Voor de nachtegaal in het ei’ zit de ‘ik’ met het ei tegenover zich en het spreekt vaderlijk tot de inhoud van het ei over wat hem te wachten staat, straks als de eischaal niet langer beschermt. De nachtegaal wordt voorbereid op een leven met tegenvallers, ‘de les van het bittere leven’. Met waarschuwingen als: ‘Leer jezelf geen hoogvlieger te zijn. / Durf te vallen met gebroken vleugels.’ En de grootste bedreiging? De mens ‘die je in een kooi stopt om te huilen’. Waarna het laatste wanhopige advies volgt: ‘Vergeet niet / jezelf te leren vliegen achter tralies.’ Geen relativering, geen clownerie, louter bitterheid. Een zelfde bitterheid die doorklinkt in zijn columns in de kranten. De ondertoon is die van dankbaarheid om te mogen blijven op de Nederlandse bodem, maar daar bovenop komen de verwijten naar de onmenselijke regelzucht van de overheden. De constatering dat we aardiger zijn voor de bewoners van een dierenasiel dan voor mensen die asiel zoeken, komt regelmatig terug. Lichter van toon is zijn boek ‘Hoe ik talent voor het leven kreeg’, ik schreef het net al. Misschien omdat er niet langer sprake is van een ‘ik’ maar van een Semmier Kariem. De honderden kleine beschrijvende anekdotes worden nauwelijks van commentaar voorzien waardoor de emotie ontstaat door wat we zelf meemaken als lezende getuige.

Nachtegaal

De gedichten van Rodaan al Galidi kennen een drietal gemoedsstemmingen: de zedenspiegels, de dreigingsgedichten en de liefdeslyriek. De zedenspiegels gaan over de Nederlandse gewoonten die de lachlust opwekken, zelfs bij de Nederlanders zelf. Ze gaan over onze regeldwang en de dictatuur van de agenda. Ze zijn grappig met een wrange ondertoon. De dreigingsgedichten, of zal ik ze dreigdichten noemen, vertolken de angst van de vluchteling en de machteloosheid tegenover geweld. Maar de lyrische ‘ik’ wordt pas echt lyrisch als hij over de liefde mijmert. Liefde voor een vrouw die hij ontmoet, liefde voor zijn familie, zijn lotgenoten. In die gedichten klinkt de meeste hoop door. Ondanks alle dreiging als bron voor de vlucht, ondanks de regeldictatuur tijdens de vlucht, leeft ergens het gevoel dat het goed gaat komen, dat er een haven is in de armen van een ander mens. Want ondanks wat de nachtegaal wordt aangedaan moet hij blijven vliegen, ook achter tralies.

Het gedicht waar die dreiging de hoofdrol speelt komt ook uit ‘Voor de nachtegaal in het ei’ en het heet Vlucht naar de zee. Het toont beeldend de dreiging. Als in een nachtmerrie voel je de mensen en hun speurhonden dichterbij komen. Met slechte bedoelingen. Er is geen ontsnappen mogelijk want de bedreiger weet wat de bedreigde denkt en doet. Altijd en overal. Maar opgeven is er niet bij. Alles is de vluchteling kwijt geraakt behalve zijn volharding om zich niet te laten inkapselen. Alles heeft hij opgeofferd tijdens de vlucht, kleren, huid en naam, behalve datgene wat hij niet wil afstaan, onder geen enkel beding, onder geen enkele dreiging: zijn hart. Geen rijm draagt de structuur van dit vers en begint het nog met wat spaarzame leestekens, een hoofdletter en een punt op de goede plek, het eindigt als de laatste woorden van iemand die buiten adem is.

Vlucht naar de zee

Zij waren één
zij waren honderd
zij waren duizend.

Zij ruiken mijn geur
alsof ze speurhonden zijn.
Ze zien mijn sporen
als door de ogen van een adelaar.
Zij horen mijn ademen
als door de oren van een paard.

Zelfs als ik mijn naam verander
weten ze dat.
Zelfs als ik mijn uiterlijk verander
komen ze erachter.

Ik slaap met één oog dicht
ik luister met één oor
ik ren op twee voeten
en beklim de berg met twee handen.

Ik heb mijn kleren afgeworpen
dat was niet genoeg voor hen.
Ik heb mijn huid afgeworpen
en mijn naam.
Ik heb afstand gedaan van mijn ademhaling.
Totdat ik bij jou aankom, zee

totdat ik de bodem heb bereikt
weigerend om mijn hart
aan hen te geven

Rodaan al Galidi

Advertenties