Karel Bralleput, de vergeten anti-dichter

Carmiggelt1Roem is vergankelijk, ook in het Rijmrijk. Juist in het Rijmrijk waar roem toch al lastig te bereiken is. Ga de straat op en vraag voorbijgangers een paar levende dichters te noemen of desnoods dode en schrik niet van de opbrengst. De dichter Karel Bralleput zal vast door niemand worden genoemd, die leidde tijdens zijn leven al een marginaal bestaan. Zijn alter ego was wel heel erg bekend, vooral in de tijd dat hij nog leefde, van Simon Carmiggelt zijn zelfs standbeelden te bewonderen. In Amsterdam staat een borstbeeld in het Weteringplantsoen. In Amsterdam leefde en werkte hij, daar hoort hij zeker thuis. Maar ook op de Veluwe vinden we Simon terug. Samen met zijn vrouw Tiny op een bankje in De Steeg. Tussen de bladeren van de bomen door, kunnen ze heel mooi een stuk van de meanderende IJssel zien. De Steeg was hun favoriete vakantiebestemming. Daar laadde de ‘stukjesschrijver’, de columnist ‘Kronkel’, uit van het hijgen van de hoofdstad. Het standbeeld, gemaakt door beeldhouwer Wim Kuyl werd onthuld in 1990 door echtgenote Tiny. En in 2013 was er een tweede onthulling, zij het zonder Tiny, omdat het beeld was gestolen en vernield terug gevonden.

Bralleput

Drie gedichtenbundels zijn er verschenen van Karel Bralleput. Later allemaal samen gebracht in een verzamelbundel met de echte Carmiggelttitel ‘Torren aan de lijm’. De keuze voor het pseudoniem zegt iets over de manier waarop Carmiggelt aankeek tegen het dichtersvak. Vanuit de diepte van een put komen geluiden met veel eigenwaan. Niet echt een positieve insteek. En misschien was dat niet eens de insteek van Carmiggelt zelf, hij had dichters in zijn vriendenkring waar hij met respect en bewondering mee omging. Maar Carmiggelt was ook de man van de straat, de stem van het volk en hij begreep maar als te goed dat de arbeidende medemens met enige scepsis aankijkt tegen de kunstenaar die kunst maakt van wat woorden. Bralleputs gedichten steken dan ook vaak de draak met het dichterschap. Dat zien we in het gedicht waarmee deze blog afsluit maar ook in ‘Des dichters werkplaats’. Alle mooie dichterlijke frasen blijken gebaseerd op praktische objecten in het huis van de grote dichter: En hier heb je mijn weemoed. Op die plank. / Heel wat hè? Ja, daar sla ik flink van in. / Mijn wijn staat dáár. Er zit genever in, / maar ‘k noem het altijd wijn hè, voor de klank.

En dan het gedicht over de ‘minor poet’ met de gelijkluidende titel. Een zeer onbekende dichter overlijdt en staat voor de hemelpoort te dromen van postume roem. Zou hij na zijn dood eindelijk opvallen bij de grote dichters en groots worden herdrukt. Maar het gedicht relativeert werkelijk alles:

(…)

De engel vroeg: ‘Hebt u een wens of een bevel?
Als ’t niet te dol is plooien we dat wel.
Een wolk alléén, of liever bij een vriend,
om wiens verscheiden u onmatig hebt gegriend?’

‘Naast Shakespeare!’ riep de dichter ambitieus
tegen de engel, die niet grijnsde om zijn keus.
‘Goed,’ klonk het. ‘Ik zal da’lijk voor u bellen.
Maar wilt u mij die naam dan even spellen?’

Niet al zijn gedichten zijn ironisch of relativerend. Er zijn er ook die zo sterk op zichzelf staan dat ze uitnodigen om op muziek te worden gezet. Zo zong Robert Long over ‘Juffrouw Nifterink’ en Herman van Veen de liefdevolle ode ‘Later’ over de liefde van twee oude mensen voor elkaar.

Carmiggelt2Poëtisch taalgebruik

Niet een bekende dichter dus, die Karel Bralleput, hoewel regelmatig terug te vinden in de bloemlezingen van wat jaren terug. Wél een hele bekende columnist, ook omdat hij als een soort dagsluiter zijn Kronkels voorlas op de televisie, vanzelfsprekend bij de Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs (VARA). De kracht van zijn korte verhaaltjes zat hem in zijn beeldende beschrijving, vaak van mensen. Zo schrijft hij over het verblijf in Gelderland in een hotelletje waar hij mooie, bijna poëtische, constructies gebruikt om een ruimte te verbeelden: “Er hangen overleden schilderijen aan de muur, zinloos geworden stillevens en enge bostaferelen, op het doek gebracht met eigeel en reptielepoep.” Er is iemand aanwezig die het wereldkampioenschap zwijgen probeert te verbeteren en een flets meisje “dat driemaal per dag even iets anders aan gaat trekken zonder er merkbaar van op te knappen.” En dan de hotelbaas. “Hij is geen prater en vertoont permanent de gemartelde uitdrukking van iemand die niet houdt van zijn eigen gezicht.” [Dis, van & Herman 1982]

Moeilijk rijmen op ‘soms te kijk’

Rijm en strak metrum zijn de twee hoofdingrediënten voor de dichter met de neiging tot het vermaken van de lezers. Dat zien we zeker terug bij Karel Bralleput. Geen echte uitbarstingen uit de gewrochten van de ziel, meer ambachtelijke schrijfproducten met een ironische ondertoon. In ‘louter droefheid’ zien we het allemaal terug: het vakmanschap van de strakke dichter. Viervoetige jamben, omarmend rijm (abba), aan het einde een klein enjambementje: ‘te kijk / in ‘Gouden aren’ (…). Om het metrum strak te houden valt de dichter in het laatste woord terug op een ‘epenthesis’: zellef voor zelf is daar een voorbeeld van. En hier moet het rijm ‘soms te kijk’ worden opgevangen en ‘moeilijk’ heeft net een lettergreep te weinig. Dat ‘moeielijk’ heeft iets komisch om een paar redenen: het is een citaat en de spreker past zich netjes aan aan het metrum en omdat er begrip wordt gevraagd voor de dichter die het moeilijk heeft is het grappig dat het woord een bijna Amsterdamse uitstraling krijgt. Bovendien is het een gedroomd citaat van de dichter die het fijn vindt als zijn lijden jaren later nog wordt herkend… Dat lijden blijkt erg mee te vallen, want het dichten heelt als vanzelf. Kortom ‘Louter droefheid’ is een mooi voorbeeld van het dichtwerk van de heer Bralleput die, ondanks zichzelf en zijn relativering, best een aardig dichter was.

 

Louter droefheid

Ik voel mij somber. Ei, wat zal ik doen?
Een platte geest dronk nu een glaasje.
Maar ik ben een poëtisch baasje
en ga mijn weemoed in een versje doen.

Dat is het voordeel van mijn gave.
De burger kan zijn ei niet kwijt,
terwijl ik, rustig, mijn neerslachtigheid
gelijk een paardje voor mijn kar laat draven.

Is het volbracht, dan ben ik opgelucht.
‘k Heb schoonheid uit mijn pijn gewrongen.
Mijn lieve pen heeft mooi gezongen.
Ik stap in bed. Ik geeuw en zucht.

En staan mijn versjes later soms te kijk
in ‘Gouden aren’ of in ‘Dichterschat’,
dan zegt de leraar bij deez’ pennenspat
‘Kijk jongens, hier had hij het moejelijk.’

Karel Bralleput

Pseudoniem van Simon Carmiggelt (1913 – 1987)

Advertenties