Rogi Wieg – Werken aan een afscheidsoeuvre

EJP_7355De zelfgekozen dood. Afgelopen jaar besloten drie dichters om te stoppen met hun gevecht tegen hun demonen. Wim Brands, deze maand, en Joost Zwagerman in september van vorig jaar, gingen onverwacht. Hun dood kwam als een schok. Natuurlijk vooral voor de naaste familie en vrienden, met in hun kielzog de stoet van poëzieliefhebbers, lezers. Die schok was minder groot bij Rogie Wieg die eindelijk toestemming had gekregen om een einde te maken aan zijn ‘ondraaglijk geestelijk lijden’ en op 15 juli daadwerkelijk afscheid nam. De schok was minder groot omdat hij al zo lang aankondigde dat het voor hem allemaal niet meer nodig was.

Wim Brands interviewde Rogi Wieg over Rogi’s ziekte in het voorjaar van 2015, o ironie… Gesteund door een batterij aan pillen probeerde Rogi zijn vele storingen de baas te blijven en niet toe te geven aan zijn suïcidale neigingen. Hij wilde uitkomen bij een mildere vorm van overgaan naar de dood. En dat terwijl hij in dat interview aangeeft erg bang te zijn voor die dood, zijn hele leven al. Als de dood voor de Dood. Toen muziek maken hem niet bracht waar hij op rekende, ontdekte hij de poëzie om zich in te uiten. En de woorden brachten troost…Rogi kijkt niet met spijt terug op zijn leven: “De mooie dingen die ik wilde maken, heb ik wel gemaakt. Ik had het niet anders gekund. En ik merk ook dat ze echt wel mooi zijn.”

Het opheffen van de pijn

“Bij het schrijven van mijn poëzie, zit ik op het allerdiepste punt zit van mijn onvermogen om dit leven draaglijk te vinden, hoewel ik het wel draag. Door middel van de poëzie kan ik het verwoorden of kan ik die pijn opheffen.” zegt Rogi Wieg in een radio-interview met Frénk van der Linden op 10 augustus 2006 [Possel, 2006].


‘Toverdraad van dagverdrijf’ heet een van zijn eerste gedichtenbundels. Een lastige titel, het zelfbedachte woord ‘dagverdrijf’ wordt vaak verbasterd naar één van de twee woorden die vermoedelijk de basis vormden ervan: tijdverdrijf, dagverblijf. Tijdverdrijf is een woord dat gaat over het even overbruggen van een korte tijd: een puzzeltje maken geldt als tijdverdrijf. Rogi keek aan tegen hele dagen die tot een einde moest worden gebracht. De ‘toverdraad’ leg ik uit als zijn poëzie, de troostbrenger. De omgeving waar vanuit de gedichten ontstaan is het eigen huis, de stad is er wel, maar op een manier die je ervaart als je door je raam naar buiten kijkt. Een deel van de bundel heet ‘Onze reis’ maar van de gedichten daar straalt het ongemak af. Het lijkt of de ‘ik’ naar Griekse oudheden is gereisd, Socrates komt langs, oude marktpleinen. Het genieten ervan kan de ‘ik’ beter als hij terug is in zijn vertrouwde kamer. En Socrates geeft een motto mee aan de bundel.

Erbij zonder erbij te zijn

Rogi Wieg was gevraagd om uit zijn werk voor te komen lezen tijdens de 33-ste Nacht van de Poëzie in september 2016. Maar Rogi wist dat hij er in september niet meer bij kon zijn. Hij zwaaide de lezers uit via een filmopname die werd vertoond. Hij las een gedicht voor waarbij hij het zelf niet droog hield. “Niet goed voorgelezen” verontschuldigde hij zich eerst, “of misschien juist wel.” In de bundel die de Nachtbezoeker meekrijgt, staat zijn gedicht Roll it en dat begint zo:

Ik schreef in dertig en twee
jaren zo een vier keer honderd
verzen. Een aanraakbare bezigheid,
ik, zittend met schrijfgerei en
papier onder licht van lamp of hemel.

Ik schreef en dacht vaak: dit zijn
laatste regels van de ik die
in mijn sterrenstof woonachtig is.
(…)

Ik schreef veel laatste verzen
in twee en dertig jaren.
(…)

Veel laatste verzen. Bundel na bundel afscheid nemen. Een oeuvre vol afscheid. En toch nergens echt zwaar op de hand. Er schuilt ondanks alles een zekere lichtvoetigheid in de verzen. Als van de terminale patiënt die zijn bezoek niet te veel wil afschrikken en beschermt voor te grote heftigheid. Ja, er is altijd in de woorden ergens de pijn en de angst. Soms voelbaar, soms op de achtegrond als van een goede dag waarbij het even beter gaat. De gedichten gaan over tijd, tijdsbesef, tijd verdrijven en als er geen tijd meer is, is er de dood. In de 30 gedichten uit Toverdraad van dagverdrijf komt vier keer het woord angst voor en elf keer het woord tijd. Er gloort hoop dat het beter gaat worden: ‘Ik denk steeds vaker dat de som / van alles zinvol is.’ Dat zijn poëzie is verbonden met zijn gemoedstoestand lezen we in het gedicht ‘Sonnet’: (…) Maanden nemen meer de vormen aan van poëzie, / grillig ziektebeeld van uren waarin ik niets kan houden, / niets kan maken binnen mijn bereik.(…)’

Voelbaar gemaakte verwarring

Ilja Leonard Pfeijffer doet een poging om aan te geven wat poëzie is en wat niet in Het geheim van het vermoorde geneuzel [Pfeijffer, 2011]. Zo komt hij met drie wetten die in acht moeten worden genomen wil het gedicht een kans maken goed te zijn:

  1. Schrijf niet wat waar is, maar wat het gedicht wil.
  2. Schrijf niet wat is gebeurd, maar wat zou kunnen gebeuren en zelfs dat niet.
  3. De dichter moet niet huilen, maar de lezer.

En dan begint Ilja aan de beschouwing van het openingsgedicht van Rogi Wiegs bundel Het boek van de beminnelijkheid: “Alle drie de wetten met betrekking tot de authenticiteit van gedichten worden hier overtreden. Wie Rogi Wieg kent, weet dat het gedicht waar is, dat het vertelt wat is gebeurd en dat de dichter zelf heeft gehuild, zoals hij in het gedicht ook zegt. (..) En toch is het een goed gedicht. Het is zelfs een van de beste gedichten die ik ooit heb gelezen.” Dan gaat hij pagina’s lang in op de wijze waarop Rogi Wieg het gedicht heeft opgebouwd met ‘gecalculeerde retorische effecten’. Ilja: “De bizarre, uiteenwaaierende gedichten lijken een spontane en oprechte weerslag van diepe geestelijke verwarring, maar dat zijn ze niet: het zijn uiterst zorgvuldig vormgegeven gedichten die een dergelijke verwarring bij de lezer voelbaar maken. (…) Uiteindelijk gaat het alleen maar om stijl. Het is volslagen onbelangrijk of iets authentiek is of niet, als het maar authentiek lijkt. Het doet er niet toe of een gedicht echt is gebeurd of echte gevoelens verwoordt, als het maar goed geschreven is. En eigenlijk wisten we dat al lang. We waren het alleen even vergeten.” Dat is het mooie van het Rijmrijk. Iedere maand komen er wetten bij en iedere keer worden deze wetten ondermijnd door het gelijk van de kwaliteiten van een gedicht of een dichter.

Te weinig taal

Toverdraad van dagverdrijf begint met dertien sonnetten waarvan de twaalfde de titel ‘Poëzie’ heeft. Een afscheidsgedicht uit het begin van zijn dichtersloopbaan. Een tekst gericht tot iemand die er niet meer is, die geen angst meer kent en bestaat in het verleden, bestond dus. Een sonnet van veertien rijmende regels met een niet te strak metrum, sommige regels zijn veel langer dan de andere. Door elkaar heen is er sprake van een ‘ik’ en een ‘je’ die wordt aangesproken en dat is eigenlijk ook de ‘ik’. Alsof de ‘ik’ de ‘je’ aanspreekt: vergeet niet wie je was. Rogi schrijft wel vaker over de dichterlijke ‘ik’ als ogen, haar en hand, de rest van zijn lichaam telt blijkbaar minder mee. Het overgaan naar een andere vorm wordt op een paar verschillende manieren geformuleerd:

  • verleggen van dit leven
  • alle weggooien (voor wat poëzie)
  • afbreken (‘dus noem ik maar wat afgebroken wordt)

De ‘ik’ probeert goed te maken dat hij niet goed onder woorden kan brengen wat het angstloze met hem doet. Angst is zijn vijand hoewel hij weet dat hij bang is voor zaken die ook goedheid in zich dragen. Misschien zegt hij wel dat hij zonder de angst geen dichter meer kan zijn en alleen maar kan opsommen wat er niet meer is. Er lijkt een tegenstelling te zitten tussen ‘alles weggooien ten behoeve van de poëzie’ en het verleggen van het leven, een gewichtige keuze die niet te lichtvaardig genomen mag worden. Dat verleggen is dan in een richting waar angst niet langer de dienst uitmaakt, waar de vormen van goedheid niet langer angst inboezemen. Het dichten hoort op de een of andere manier bij de angst, bij de wanhoop. Als bij een jazzcompositie varieert Rogi voortdurend op het thema, steeds komt het even terug in een andere formulering, in een andere context waardoor er steeds meer betekenis aan wordt toegevoegd. De titel ‘Poëzie’ is niet bedoeld als kwalificatie van wat eronder staat, maar als uitleg wat poëzie is voor de ‘ik’ en laten we voor het gemak ‘ik’ en de dichter maar even beschouwen als één geheel.

Toverdraad van dagverdrijf wordt genoemd als Rogi’s debuutbundel. Het thema van poëzie als troost begint hier en komt terug tot in zijn laatste gedichten. Een heel werkzaam leven afscheid nemen in de vorm van gedichten. Mooie gedichten (‘en al die mooie dingen dan’) in een wonderschoon oeuvre. En gelukkig zag de dichter dat zelf ook voordat hij weg mocht van zichzelf en de rest van de wereld.

Poëzie

Nu is het dus dat ik niet meer weet
hoe bang zijn was. Ik zal niet langer vijand
zijn van zoveel vormen goedheid. Maar vergeet
niet wat je was: ogen, haar, een hand

om mee te schrijven. En wat moet ik zeggen,
de stadsweg waarover je naar huis toe gaat,
mijn huis zelfs is zo liefdevol voor mij. Verleggen
van dit leven is gewichtig. Dat je hier bestaat

alsof je altijd zal bestaan lijkt eigenaardig,
– en al die mooie dingen dan –
om alles weg te gooien voor wat poëzie is te lichtvaardig.

Er is te weinig taal in mij om zaken
te omschrijven zoals dit gebrek aan angst;
dus noem ik maar wat afgebroken wordt, om nog iets goed te maken.


Rogi Wieg (1962 – 2015)

Advertenties