Esther Jansma – dichten als sloopwerk

Bredevoort boekenkast webAl het archeologisch onderzoek in het Rijmrijk doe ik zelf. Zonder zand of modder aan mijn handen te krijgen overigens. Het is schoon graafwerk en de vindplaatsen zijn vaak overdekt dus nat word ik ook zelden. Het gaat bij archeologie om het terug halen van gebeurtenissen uit het verleden op basis van wat je aantreft. Weinig aanwijzingen, veel interpretatie, maar wel interpretatie die bouwt op wat eerder al in aangetoond.

In Bredevoort vond ik een dichtbundel die al een tijdje in de zon moet hebben gestaan. En roodbruine drukinkt met veel licht, dat gaat niet goed samen. Datzelfde geldt voor groenblauwe, grijsgele en andere kleuren drukinkt, maar dat is nu even niet het onderwerp. Hier is de tijd stond er op, dan een moderne grafische vorm en daaronder weer Gedichten. Bovenaan de naam van de dichter(es): Esther Jansma. De bundel stamt uit 1998, behalve de verkleuring was het een gaaf exemplaar zij het wel intensief gebruikt. Potloodstreepjes hebben lezers bij gestaan bij hun leesavonturen. Soms dun, heel subtiel, soms vet aangezet. De naam op de eerste bladzijde was zorgvuldig weggegumd, ik zou mijn best kunnen doen om het geschrevene te reconstrueren maar ik gun de vorige eigenaar zijn anonimiteit. Bovendien moet ik door met mijn vorsingswerk. Het werk van een poeto-archeoloog houdt nooit op.

Waar is de tijd?

Wat kunnen we zoal te weten komen over Hier is de tijd? Er staan 29 gedichten in. In 1999 is de bundel bekroond met de VSB-poëzieprijs. De titel heeft de dichteres geleend van een andere dichter, namelijk Herman de Coninck, die zij ook nog eens eert met een eigen gedicht bij zijn overlijden: Tussen twee haakjes. Een gedicht waarin de thematiek van Esther Jansma helemaal in terug te vinden is: de tijd die eigenlijk niet bestaat en toch ons menszijn vult. “Als kind vond ik het onuitstaanbaar dat je niet kunt bewijzen dat tijd bestaat. Ik had fantasieën dat ik iedereen tegelijk was en door alle hoofden zwierf.” Aldus Esther in een interview uit 2006 [Rijghard, 2010]. Wie gedichten van Esther Jansma (score van 5 in de Deleu-index) gaat lezen moet een paar dingen van haar weten en die daarna direct vergeten. Zij verloor op jonge leeftijd haar vader als gevolg van een verkeersongeluk en zij verliest twee kinderen allebei op heel jonge leeftijd. Daarnaast is zij werkzaam als archeologe, maar dan een bijzondere. Als dendrochronologe verdiept zij zich in de jaarringen van houten vondsten. Dat archeologen iets met de tijd in een groter verband hebben, lezen wij terug in het slotgedicht van Hier is de tijd, het gedicht Archeologie dat afsluit met dezelfde woorden als de bundeltitel: ‘Waar is de tijd? Hier is de tijd.’

Archeologie

Als we ons dan toch moeten kleden,
tegen kou bijvoorbeeld, of in naam van iets,
in resten van dit of dat verleden,
verhalen en geheugensteuntjes die niets

vertellen dan dat we er al waren
in de tijd die bestond voor dit heden –
als wij onszelf alleen in het nu kunnen bewaren
door onszelf voortduren uit te vinden in het nu

dan liefst eenvoudig, aan de hand van kleding.
Je zit aan tafel. Opeens zie je hoe iemand
ijs overstak, hoe hem de kou beving

of een ander einde en je zegt: kijk,
hier heb je zijn schoenen, leren mantel, wanten.
‘Waar is de tijd? Hier is de tijd.’

Esther Jansma

Hier leest ze het zelf voor! [Mandelinck & Hondekijn, 2005]

Bodemsporen

Archeologen zien betekenis in verkleuringen van zand, bestuderen eindeloos jaarringen om te bekijken in welk jaar wat gebeurd zou kunnen zijn. Puzzelaars in de tijd zijn het. Waar wij een aardige grafische vorm zien, zoals voorop de bundel, weten archeologen dat we hier te maken hebben met de bodemsporen van een prehistorisch graf. Je ziet meer dan je ziet. En dood is opeens heel relatief in de sporen van de grote tijd. Andersom: leven is heel relatief in de sporen van de tijd. Zoals Esther Jansma het verwoordt in het gedicht voor Herman de Coninck: ‘De dood maakt van mensen een plek.’ En dat Esther Jansma webgaat verder: ‘De plek waar de man was: het lichaam//(…) dat zich vergat // op de stenen in die straat, in die stad.’ Tussen de haakjes heb ik de tekst even niet geciteerd om dat punt helder te maken van het tijdelijk invullen van een plek. Toch is die tekst wel van belang in een gedicht dat Tussen twee haakjes heet. Naast de filosofisch getinte uitspraken in dit gedicht, staan de meer persoonlijke zaken tussen de haakjes.

Het persoonlijke leven als klei

Hierboven schreef ik dat er zaken zijn die je over de dichter Jansma moet weten en toch ook weer vergeten. De ‘ik’ in gedichten is namelijk niet dezelfde ‘ik’ die de dichter echt is, die boodschappen doet en de rekeningen betaalt. De eerste ‘ik’ wordt fraai aangeduid als de ‘lyrische ik’. Zoals het bij Gerrit Achterberg lastig is om bij een strofe over de verloren geliefde niet te denken aan zijn biografie waarin er daadwerkelijk een vrouw sterft door zijn hand, zo vinden veel mensen het lastig om de kinderen in de gedichten van Esther Jansma los te koppelen van haar overleden kinderen. Daar geeft ze, wellicht ongewild, zelf ook wel aanleiding toe, acht gedichten in Hier is de tijd zijn opgedragen aan Abel, het jong overleden zoontje van de dichter. En toch mogen wij als lezer nooit te vroeg veronderstellen dat we wel weten hoe het zit omdat we al veel van en over de dichter hebben gelezen. Net zoals een archeoloog niet te vroeg mag veronderstellen dat donker zand met strepen en stippen een graf was.

Esther Jansma: “Even over autobiografisch schrijven. De enige reden dat ik schrijf over wat ik heb meegemaakt, is dat ik anders shit zou schrijven. Dan zou de motivatie ontbreken. That’s all. Natuurlijk bevat mijn werk relaties met mijn persoonlijke leven. Maar iedere dichter maakt gebruik van wat hij meemaakt. De constructie moet gebaseerd zijn op iets echts, anders is het lucht. Ik kan niet werken zonder materiaal. En ander materiaal dan je autobiografie heb je niet. Dat is de klei. Maar ik heb mij nooit gereduceerd tot een dagboekschrijver.” [Rijghard, 2010] Het moet echt ergens over gaan bij Esther Jansma, haar hele werk is daarvan doordrenkt. Maar mag ik het gedicht Over het schrijven van mooie natuurgedichten (zevende gedicht) dan toch zien als de uitzondering die de regel bevestigt? Het is heus geen oppervlakkig niemendalletje, maar er zit wel een hoop ironie in. Het lijkt een instructietekst, maar veel leren wij er niet van, het is meer een wat wanhopige zoektocht naar de relatie tussen de taal en de werkelijkheid. Het sloopt de taal én de dichter.

Kaal, radeloos

Laten we de redeneerlijn in het gedicht eens volgen. Ten eerste merken we dat de dichter helemaal geen trek heeft  in het schrijven van een natuurgedicht. Veel te veel inspanning en waar doe je het voor? Dat komt omdat er iets van rood in moet en iets van boom. Waarom deze zelfopgelegde verplichting geldt, krijgen we mooi niet te lezen. Er komen wat beelden voorbij waarbij als lezer het rode in de boom ons kunnen voorstellen: een bloedend mens aan een tak, een roodborst in de winter, maar ‘niets voldoet’… Dan moet de taal maar worden ontleed, nou ja, de taal, soms alleen het woordbeeld. Er zit een hekwerkje in de m van boom. De b gebruiken we ook voor beginnen: weg ermee dus! We willen noch rotzooi, noch de dood in het ‘mooie natuurgedicht’ dus ook van die woorden moeten de beginletters eraan geloven. Dan houden we twee gesloopte woorden over: oo voor boom en oo voor rood. Zo hebben we een kaal natuurgedicht gemaakt met elkaar: een radeloos o, o… Ik moest erg lachen om dit gedicht, maar misschien zie ik de dramatische wending over het hoofd. Wat de vorige eigenaar ervan vond, weet ik niet. Een bescheiden liggend potloodstreepje voor de titel is het enige spoor. Het is dus niet onopgemerkt gebleven.

Over het schrijven van mooie natuurgedichten

Natuurgedichten schrijven is ingewikkeld,
iets waarbij men zuchtend moet gaan nadenken
over bijvoorbeeld rood en boom en wat het verschil is
en hoe dit op te heffen. Processen, denkt men,

hoe water inkt doet vervloeien, zo ongeveer moet dat –
maar hoe doet een boom dat richting rood?
Stelt zich er late lucht bij voor, verwerpt die.
Iemand die aan een tak hangt en bloedt? Winter

en daarin een roodborst? En zo nog wat. Niets
voldoet. Dan: men verbant de b van beginnen
en het hekwerk van m, roept de r uit tot rotzooi, zegt

de d is dood, en houdt over: tweemaal oo.
Niet mooi, wel kaal, een haast radeloos o, o.
Natuurgedichten schrijven is sloopwerk.

Esther Jansma

Advertenties