Vers op de Veluwe: de dichtdichtheid van Nunspeet

Jules DeelderDe weg van Epe naar Nunspeet ligt tussen besloten bossen. Bomen schieten voorbij, hier en daar een uitspanning met wild op het menu. De Veluwe is hier onontkoombaar. In Nunspeet rijden we op een bedrijventerrein als mijn blik wordt gevangen door een gedicht op een bedrijfsgebouw. Wat doet de stadse Jules Deelder hier in de verlatenheid van zandverstuivingen en heidevelden? En nog wel met een kort gedicht dat niet gaat over jazz, speed of de charme van de stad maar over een ‘medemens’? We rijden door naar het centrum en ontdekken overal op gevels grote plaquettes met gedichten. Dit moet na de Kostverlorenhoek in Amsterdam de plek zijn met de hoogste dichtdichtheid: het meeste aantal gedichten op de vierkante kilometer.

Poëzie op muren, in velden en langs wegen

Al wandelend zie ik werk van Willem Wilmink, Joke van Leeuwen, Bergman (twee keer), Lucebert, Ingmar Heytze en Judith Herzberg. De plaatselijke boekhandel verkoopt voor een vriendenprijs een boekje met uitleg over de Nunspeetse muurgedichten. De stichting die dit project aanjaagt en bewaakt heeft het boekje betaalbaar kunnen houden vanwege de vele sponsors en donateurs. Poëzie leeft in Nunspeet. En dan bedoel ik de hele gemeente, want ook in Elspeet, Vierhouten en NunspeetHulshorst zijn gedichten te lezen, zelfs in de buitenlucht. Zo’n 27.000 zielen telt de gemeente waarvan er 20.000 in Nunspeet zelf wonen. Stuk voor stuk poëzieliefhebbers? Moet haast wel, het project loopt al heel wat jaren. Diverse burgemeesters en cultuurwethouders hebben plakkaten onthuld in de loop der jaren. De stichting kent een respectabel aantal donateurs en nog meer sponsors, van de Rotary tot de plaatselijke bank, van het gemeentehuis tot IJsboerderij Bonestroo.

Stoppen woord en klank te zoeken

Er zijn odes aan het landschap (Jozef Deleu), het oudste gedicht uit de Nederlandse taal komt voorbij (‘Hebban olla vogala nestas…’) en ook de socialistische geschiedenis wordt niet gevreesd. Margot Vos bezingt ‘De Paaschheuvel’ in Vierhouten, dé plek waar de jonge socialisten van de AJC het leven én elkaar ontdekten. Uw blogger is een product van de rode liefde die over de Veluwe waaide… Hulshorst is terug te vinden in mijn Rijmrijkblog over het stationnetje van Gerrit Achterberg (nummer 29 in de reeks). Sommige gedichten hebben een verbinding met de geschiedenis van het dorp. Kunstschilder Eugène Brands leefde lang in Nunspeet en dat rechtvaardigt de plaatsing van een gedicht van Lucebert over de schilder Brands. De dichter Kees Keizer komt zelf uit Nunspeet en daarom moest er ook werk van hem komen. Aardig is dat het gedicht ‘Zinloos’ gaat over de onmacht van de taal (en daarmee ook van de poëzie): ‘Laten we er mee stoppen / woord en klank te zoeken’.

Wachten op de diligence

Herzberg

Hoog op een gevel ontdek ik een gedicht van Judith Herzberg. ‘Eerst komt het wachten’ heet het en ik wil graag weten waarom er is gekozen voor dat gedicht op die plaats. Mailen met voorzitter Ben van Wendel de Joode van de stichting geeft antwoorden. De locatie is de eerste inspiratiebron. Zo is het gedicht van Jules Deelder terecht gekomen op een gebouw waar de sociale werkvoorziening is gevestigd. Bij het restaurant ‘De Roskam’ was in vroeger dagen de stopplaats voor de ‘diligence’, een van de eerste vormen van openbaar vervoer. Maar, net als tegenwoordig, het openbaar vervoer kent zijn wachttijden. Ben van Wendel de Joode: “De keuze van de gedichten is min of meer willekeurig. Vaak is de locatie waar het gedicht moet komen bepalend voor de keuze. Ook moeten de gedichten in het algemeen behoren tot de literaire canon en tenslotte moeten alle vijf bestuursleden het met de keuze eens zijn. Soms wordt een gedicht aangedragen door een van de bestuursleden (dat was het geval met het gedicht van Judith Herzberg) en soms door een andere belangstellende die een waardevolle suggestie heeft.” Om de kennis van de ‘canon’ bij te houden beginnen de bestuursvergaderingen met het lezen van gedichten. “Ieder bestuurslid leest een gedicht. Inmiddels hebben we 63 vergaderingen gehad en dus samen ook honderden gedichten gelezen.” Laten we hopen dat het niet bij de 39 gedichten blijft daar in Nunspeet!

Eerst komt het wachten

Eerst komt het wachten, het verheugen,
leunend tegen lage muurtjes,

dan komt het voorgevoel van
hoe-nu-verder

daarna het hoe-nu-verder
zelf.

Judith Herzberg observeert grote en kleine dingen. Nee, ze ziet grote dingen in kleine dingen. Wachten is iets heel alledaags en Judith Herzberg weet daar iets heel moois van te maken, Citaat van een gesprek met haar in het NRC van oktober 1995“Ik vind oppervlakkigheid ècht interessant. Dat wil niemand geloven, maar het is wel zo. Ik kijk, ik merk dingen op, net als iedereen eigenlijk.” Dit gedicht deed mij onmiddellijk denken aan een ander gedicht van Judith Herzberg over wachten. Een staccato opsomming van fenomenen die elk om een verder beschrijving vragen. Losse cursussen met als titel ‘Het blijven kijken tot het dichterbij is…’ De opsomming die maar eindeloos doorduurt, geeft het iets komisch en bij voordracht ervan tijdens de Nacht van de Poëzie werd ze zelfs door het lachen uit haar concentratie gehaald. Die voordracht heb ik er maar even onder gezet. Het is de vijf minuten luisteren waard!

HET WACHTEN OP DE HALTE

Het zien van een taxi.
Het denken: nog niet. Ik sta hier nog maar net.
Het zien dat er nog iemand bij komt staan.
Het opnemen van hem/haar.
Het net doen of ik hem/haar niet bekijk.
Het niet net doen of ik hem/haar niet zie.
Het langs hem/haar in de verte kijken of bus eraan komt, zogenaamd.
Het echt in de verte kijken.
Het denken: is dat de bus?
Het blijven kijken tot het dichterbij is.
Het zien dat het geen bus is, maar een hoge vrachtauto.
Het denken: toch maar een taxi?
Het denken: dan had ik beter die eerste taxi kunnen nemen. Nu heb ik voor niets gewacht, als ik alsnog een taxi neem.
Het zien dat er nog twee mensen op de halte bij komen.
Het zien dat deze twee nog niet ongeduldig zijn.
Het denken: die denken hij komt zo.
Het raden wat deze twee samen doen.
Het hen onopvallend opnemen.
Het zich verbazen over de eerste wachtende, die de nieuwe twee helemaal niet bekijkt. Niet nieuwsgierig is. Alleen wacht.
Het denken: als we nu eens met zijn vieren een taxi namen.
Het zich afvragen waar de anderen heen moeten.
Het het koud krijgen.
Het veel bussen in omgekeerde richting langs zien komen.
Het denken: waar blijven die allemaal, ooit komen ze toch weer deze kant op.
Het zich het eindpunt voorstellen, het keren.
Het denken: als ik nu een taxi neem is dat duur en die tijd ben ik nu toch al kwijt.
Het zich herinneren van dezelfde gedachte van gisteren.
Het zich herinneren van het zich herinneren van gisteren van dezelfde gedachte.
Het besluiten: ik neem nu gewoon een taxi.
Het wachten op een taxi.
Het zien voorbijrijden van volle taxi’s.
Het denken: morgen neem ik meteen de eerste lege taxi.
Het zich herinneren van dezelfde gedachte van gisteren.
Het denken dat het nu toch niet lang meer duren kan tot bus komt.
Het zich voorstellen van een enorme opstopping in de verte.
Het overwegen te gaan lopen.
Het zich voorstellen dat de bus net voorbijrijdt voor ik lopend bij de volgende halte ben.
Het denken dat lopen warm maakt.
Het zich verbieden om te kijken of bus eraan komt.
Het auto’s tellen.
Het zich verbieden te kijken of bus eraan komt tot
er minstens honderd auto’s voorbijgereden zijn.
Het zien van veel lege taxi’s tussen de auto’s.
Het denken dat het nu eerst recht onzin wordt om een taxi te nemen.
Het denken dat het nu toch echt tijd wordt om een taxi te nemen.
Het overwegen dit eens op te schrijven.
Het zich afvragen of andere mensen ook zo denken.
Het zich afvragen wat het objectief juiste moment is om een taxi te nemen: meteen, na een tijdje wachten of na lange tijd wachten.
Het zich herinneren van ouders die nooit een taxi namen.
Het zich proberen te herinneren van speciale gelegenheden waarbij ouders wel een taxi namen.
Het merken hoe vol het op de halte is geworden.
Het denken: op een volle halte – wachten, op een lege halte – taxi nemen.
Het zich realiseren hoeveel het zou kosten om elke dag een taxi te nemen.
Het uitrekenen dat dit minder duur zou zijn dan een auto bezitten.
Het zich voorstellen hoe het zou zijn om op een verlaten autostrada in gierende wind en striemende regen een lekke band te hebben.
Het beseffen dat de auto’s voorbijrijden zonder geteld te worden.
Het beseffen dat de gedachten bij dertig of bij veertig al zijn afgedwaald.
Het schatten dat het er nu misschien al tweehonderd zijn.
Het zien op het horloge dat er nog maar zes minuten voorbij zijn.
Het dankbaar zijn dat het niet regent.
Het in gedachten drinken van een kop thee.
Het zich afvragen of er nog ergens koek in huis is.
Het zich met schrik bewust worden dat de sleutel –
Het merken dat hij in de andere zak zit.
Het zich voorstellen tot waar lopend in zes minuten –
Het vinden dat het stinkt.
Het denken aan de vele moorden op taxichauffeurs.
Het zich voorstellen van een met bloed besmeurde lege taxi.
Het zich afvragen of andere mensen ook zo vaak over moord denken.
Het zich afvragen of moordenaars vaak over moord denken.
Het denken van niet.
Het niet weten waarom niet.
Het zich afvragen of andere mensen zich ook zo vaak afvragen wat andere mensen zich afvragen.
Het zich afvragen of andere mensen zich wel eens afvragen wat ik me afvraag.
Het niet gemerkt hebben dat de bus er is.

Judith Herzberg

Judith Herzberg leest het gedicht voor tijdens de Nacht van de Poëzie in 1997.

Advertenties

3 gedachtes over “Vers op de Veluwe: de dichtdichtheid van Nunspeet

  1. Pingback: Jean Pierre Rawie als lyrische lijster | het rijmrijk

  2. Pingback: De vele gevelgedichten van Ida Gerhardt | het rijmrijk

  3. Pingback: Bocht in je achtertuin – Hanz Mirck | het rijmrijk

Reacties zijn gesloten.