Uit het witte veluwhart – Gerrit Achterberg

Het gedicht vlakbij het voormalige station te lezen voor alle voorbijgangersBij het witte stationnetje was de dichter er nog niet! Zijn verloofde Bep van Zalingen woonde en werkte in Oldebroek en dat was toch echt nog wel een kleine 20 kilometer verder. Maar dichterbij met het openbaar vervoer kwam je er niet. Het stationsgebouwtje van het Veluwse Hulshorst is allang geen stopplaats meer. Er wonen mensen. Twee kleine hondjes slaan aan als ik iets te dichtbij hun tuin kom om een foto te maken. Verderop suist de A28, ik zie dat er nog wel een treinbaan loopt, maar nu staat er een hoog hek tussen voormalig station en het spoor. Station Hulshorst is door de dichter Gerrit Achterberg bezongen en dat gedicht is thans te lezen als gedicht 29 in de reeks gedichten die te vinden zijn in de openbare ruimte van de gemeente Nunspeet. Vroeger was het te lezen óp het stationsgebouw, nu staat het op een grote plaquette net naast de tuin.

Station Hulshorst, met een punt

In 1863 werd ontsloten met een heus station en het werd zelfs een populair station in het autoloze tijdperk. Dat veranderde in de loop der tijden. Te weinig ‘in- en uitstapbewegingen’ voor de spoorwegen; in 1987 werd het als station gesloten. De sluiting ging gepaard met veel bombarie, ook omdat het station door Gerrit Achterberg beroemd was gemaakt. Nog maar zeven jaar daarvoor was de plaatsing van het gedicht Hulshorst, voor iedereen leesbaar op het gebouw waardoor het was geïnspireerd, een feestelijke gelegenheid. In eerste instantie werd het gedicht óp het stationsgebouw geplaatst. De officiële opening vond plaats op 20 mei 1980, precies de dag dat Gerrit Achterberg 75 jaar geworden zou zijn als hij niet in 1962 was overleden. Bij de opening was de weduwe van Gerrit aanwezig. Zij, Cathrien Achterberg-van Baak, was een geplaagde vrouw in die dagen. Er werd gewerkt aan een biografie en in publicaties in die tijd kwamen steeds vaker de minder zonnige kanten van de mens achter de dichter naar buiten. Daar kwam nog eens bij dat er ongelukkigerwijze fouten waren gemaakt bij het opmaken van de tekst. Landelijke kranten spraken schande van de verminking. En de weduwe wist vast ook nog erg goed dat haar echtgenoot langs dit station kwam als hij op weg was naar de ‘andere verloofde’ Bep. In bepaalde perioden was Bep toch echt wel een rivale van Cathrien. Ik kan mij niet anders voorstellen dan dat Cathrien een verscheurd gevoel moet hebben gehad bij het spektakel op die warme meidag in 1980.

De grootste dichter van de 20ste eeuw?

Gerrit Achterberg is ongetwijfeld de grootste Nederlandse dichter van de twintigste eeuw staat in de flappen van de indrukwekkende biografie die Wim Hazeu schreef en die in 1988 uitkwam. Die stelling over ‘grootste dichter’ wordt niet meer door iedereen onderschreven. Zeker, zijn invloed was groot. Hele generaties zijn met zijn werk opgegroeid en daar zaten ook dichters tussen. Zeker, voor een dichter heeft hij veel werk verkocht. Er wordt gezegd dat er van zijn Verzamelde Gedichten meer dan twintigduizend exemplaren zijn verkocht. En van de bloemlezingen met zijn werk het vijfvoudige van dat getal. Ooievaar 11 is de bloemlezing die door Paul Rodenko is samengesteld (en ingeleid): Voorbij de laatste stad. Deze woorden komen uit de door Achterberg zelf geschreven opdracht voorzin zijn debuutbundel Afvaart uit 1931. Maar veel invloed en veel verkocht worden, maken nog niet dat je de grootste van een hele eeuw bent. In de NRC top 100 komen we één gedicht tegen van Gerrit, tegen vier gedichten in ‘Domweg gelukkig..’ de bekendste gedichten [Aarts, 1994]. Jozef Deleu heeft vijf gedichten opgenomen in zijn recente Verzenbloemlezing [Deleu, 2015]. In de Europese canon vind ik twee titels en in Komrij’s Canon één…. Helemaal niet slecht, maar ben je dan een betere dichter dan bijvoorbeeld Martinus Nijhoff?

Moeizame relaties

Gerrit had al eens verkering gehad met Cathrien van Baak. Ongeveer drie jaar, maar het liep steeds uit de hand. Gerrit kon zijn driften niet de baas en dan moest zijn geliefde eraan geloven. Vader Van Baak had er genoeg van en zorgde ervoor dat de verkering uitraakte. Wageningen, de woonplaats van het gezin Van Baak, was een plaats waar hij zich even niet mocht vertonen. Dat deed hij wel en daarom liep hij weken door zijn eigen dorp Langbroek met een paar blauwe ogen. Broer en vader Van Baak hebben hun boodschap kracht bijgezet.
Ná Cathrien ontmoette hij bij zijn vriend Henk van Zalingen diens zus Bep. In 1929 verloofden zij zich. Gerrit was toen 24 jaar oud en werkte als onderwijzer in Den Haag terwijl zijn verloofde op de Veluwe werkte, ook voor de klas. Vaak toog Bep naar Den Haag in weekenden en vakanties. Het lukten ze niet om werk te vinden dichter bij elkaar. In die periode is Gerrit regelmatig gereisd naar de Veluwe. Maar ook de relatie tussen Bep en Gerrit werd gekenschetst door gewelddadige uitbarstingen. Gerrit had wel iets met wapens. In Den Haag kocht hij een revolver in dezelfde buurt waar hij regelmatig op bezoek ging bij prostituées. Gerrit had een ontspoord driftleven en die ontsporingen hebben Bep bijna het leven gekost. An accident waiting to happen, zo kun je Achterberg het beste kenschetsen. Het duurt nog tot december 1937 dat hij met zijn Browning-pistool zijn Utrechtse hospita dodelijk verwond. Diens zestienjarige dochter wordt geraakt door een kogel in de hals, maar zij overleeft, voor het leven getraumatiseerd. Dan volgt voor Gerrit Achterberg een lange, lange periode van psychiatrische zorg. Terbeschikkinggesteld van de regering, inrichtingen, moeizaam herstel. Cathrien komt terug in beeld en met haar trouwt hij in 1946. Gerrit Achterberg is een van de weinige dichters waarover je een boeiende, dramatische film kunt maken. Er is genoeg gebeurd en de poëzie kan daarbij een mooie rol spelen. Het wordt geen vrolijke film, maar één waarbij het noodlot altijd om de verdoemde dichter heen hangt.

Het gedicht in het handschrift van de dichter zelf.

Vergeten ijzer tussen bittere coniferen.

Er zou een hek om het stationnetje van Hulshorst hebben gestaan. Een ijzeren hek met de naam van het station daarin. Roestig, denk ik als ik vergeten ijzer zie staan. Het stationnetje lag toen ver weg van al het geruis van leven en verkeer. Het werd omzoomd door dennen en coniferen. De bitterheid van de coniferen kan een projectie zijn van de dichter, maar ook samenhangen met de dominante geur van deze bomen. Het contrast tussen het verlaten station en het Veluwse onherbergzame landschap is groot. Het dertienregelige gedicht kent weinig vormkenmerken. Wat alliteraties tegen het einde als het gaat om het geluid, het weinig waaien, en de gevaren van de Veluwe: een barse bende van rovers (rans en ruw). De trein op weg naar Zwolle (het noorden vanuit de kant van Den Haag) staat wel stil maar kent geen tijd voor in- of uitstappen, nul minuten om precies te zijn. De dichter zit op een verlaten station waar, als in een nachtmerrie, geen wegkomen mogelijk is. En intussen klopt een andere werkelijkheid aan: het legendarisch gevaarlijke bos van de Veluwe. Ondoordringbaar en een goede plek voor rovers die reizigers graag van hun bezittingen af willen helpen. Blijft over de vraag waar het witte veluwhart naar verwijst. Is dat naar het o zo witte spoorgebouwtje dat het hart van het landschap daar vormt? Of is het een verwijzing naar het zuivere hart van de bewoners die zich daar godsvrezend ophouden?

 

HULSHORST

Hulshorst, als vergeten ijzer
is uw naam, binnen de dennen
en de bittere coniferen,
roest uw station;
waar de spoortrein naar het noorden
met een godverlaten knars
stilhoudt, niemand uitlaat
niemand inlaat, o minuten,
dat ik hoor het weinig waaien
als een oeroude legende
uit uw bossen: barse bende
rovers, rans en ruw
uit het witte veluwhart.


Gerrit Achterberg (1905 – 1962)

Advertenties