Nieuwe griffels, schone leien

Op rommel- en tweedehands boekenmarkten kom je ze nog regelmatig tegen: Ooievaartjes. ‘Voor bijna geen geld de beste literatuur en de pleizierigste ontspanning’, staat er als zelfaanprijzing op. En er staat ook waarom ze zo lang meegaan: ‘Gedrukt op goed papier en stevig gebrocheerd, voor de spotprijs van f 1,45’. Uitgeverij Daamen uit Den Haag werkte samen met De Sikkel uit Antwerpen. Vanaf Ooievaar nr. 31 komt de naam Bert Bakker voor als uitgever. Die naam blijft een tijd verbonden aan goedkope en goede literaire bloemlezingen. Alle grote namen komen voorbij en worden betaalbaar gepresenteerd aan een groot publiek: Gerrit Achterberg (Ooievaar nr. 11), Paul van Ostaijen (Ooievaar nr. 17) en Adriaan Roland Holst (Ooievaar nr. 16).

NieuweGriffelsNieuwe griffels, schone leien… In mijn handen heb ik de derde druk en die kwam uit in september 1955, een kleine 30.000 exemplaren waren toen beschikbaar op de markt. Griffels, leien. Wij weten nauwelijks meer wat dat zijn, maar gold dat ook niet voor de generatie van 1955? Of werden kinderen op de ‘lagere school’ nog onderwezen met dat bijzondere potlood op een klein zwart schrijfbordje? De titel verwijst naar vernieuwing: een nieuw vel en een gloednieuwe pen betekent hetzelfde, maar bekt minder goed. En hoe vertaal je dat naar het tijdvak van het digitale schrijven? Schoon toetsenbord, nieuwe USB-stick? Nieuwe griffels, schone leien is een populaire bloemlezing met avantgarde poëzie hoewel inleider Paul Rodenko zegt dat het meer om experimentele poëzie gaat. Experimentele dichters hebben ze in België én Nederland, vandaar de dubbele ondertitel Van Gorter tot Lucebert. Van Gezelle tot Hugo Claus. Hoofdletters komen niet voor op de omslag, het moderne moet benadrukt en daar hoorden toen geen Hoofdletters bij want die suggereren ongelijkheid. De bloemlezing is samengesteld ten behoeve van het ‘literatuuronderricht’ op de middelbare scholen en het was inderdaad voor veel jongeren uit die generatie een eerste kennismaking met de creatieve kracht van de taal. Qua oplage en invloed pas jaren later geëvenaard toen Gerrit Komrij voor het eerst aan het bloemlezen sloeg en daar een fraaie lichtblauwe bundel uit voortkwam. Maar waar Gerrit klaar was met een paar pagina’s voorwoord, laat Paul Rodenko zich verlijden tot veel pagina’s met een superingewikkelde inleiding.

Dichter H.C. ten Berge was 17 jaar in 1955. In 1978 schrijft hij in het tijdschrift Raster over bloemlezingen. Daar komen ook de ´griffels´ voorbij: “Toen ik als scholier er in geslaagd was drie weken lang mijn zakgeld op te sparen, kon ik tegen betaling van fl. 1,45 – het was voorjaar 1955 – in de boekhandel Paul Rodenko’s Nieuwe griffels, schone leien ‘bloemlezing uit de poëzie der avant-garde’ aanschaffen. (…) De kennismaking met Nieuwe griffels betekende een schok: zowel de inleiding van Rodenko als de bloemlezing zelf brachten menige (jonge) lezer in verwarring en tegelijk ook in vervoering. Door gebrek aan belezenheid ontging je aanvankelijk de ware portee van zekere passages uit de introduktie, en ook de betekenis van de poëzie stond je niet overal even helder voor de geest. Ondanks half of helemaal niet begrepen zaken die Rodenko blijkbaar wel glashelder voor ogen stonden, voelde je dat hij zich op een indringende manier met het wezen van de 20e eeuwse poëzie bezighield.”

Je schiet echt wel je doel voorbij als je middelbare scholieren wil meenemen in het onderwerp van de experimentele poëzie als je Franstalige poëzie van Rimbaud en Baudelaire citeert, als je terloops het ‘vorticisme’ van Ezra Pound voorbij laat komen naast het ‘futurisme’ van Marinetti en het ‘imagisme’ van de Rus Jessenin. Dan weer snel een Duitstalig citaat van Hans Arp. Zelfs volleerde lezers haken dan af. Tussen alle naamverwijzingen treffen we uitleg aan als: “Recapitulerend kunnen wij dus zeggen dat de avantgarde van de aanvang af gestuwd wordt door twee tendenzen: de tendens tot verabsolutering van het beeld en de tendens tot verabsolutering van de klank.” Hoe ingewikkeld ook, het heeft het verkoopsucces niet dwars gezeten. Er is na het overlijden van Rodenko in 1976 nog één keer een editie verschenen. Met deze tiende, laatste druk van ‘Nieuwe griffels, schone leien’ kwam de totale oplage op 91.000 exemplaren.

Het gevoel van niet begrijpen, maar wel voelen dat er iets belangrijks wordt geraakt, ken ik uit eigen ervaring. In het Arnhemse stadspark ‘Sonsbeek’ stond in mijn schooltijd een beeld van de Engelse beeldhouwer Henry Moore. Het was een liggend mensenlijf maar het was absoluut geen getrouwe kopie. Het was rond, er zaten grote gaten op bepaalde plaatsen in het lijf. Geen idee wat de beeldhouwer bezielde maar ik wist zeker dat hij mij iets mee wilde geven en ik had het gevoel dat ik het ooit beter zou begrijpen. Of niet, dat deed er eigenlijk niet toe. Het was al bijzonder zonder dat ik de essentie bevatte. Voor mij was het lezen van het gedicht dat Lucebert schreef over Henry Moore om deze reden een feest van herkenning. Dit gedicht gaat over het beeld dat ik zo vaak heb gezien. Daarom citeer ik ‘moore’ uit de bloemlezing van Rodenko. Het is voor Lucebert niet eens zo’n ontoegankelijk gedicht. Paarsgewijze regels die de sfeer van het werk van Henry Moore in woorden vat. En het gedicht eindigt waar het begint. Het is zo rond als de aarde die drijft en rolt.

 

Henry Moore in Sonsbeek Foto JD Noske van Anefomoore

het is de aarde die drijft en rolt door de mensen
het is de lucht die zucht en blaast door de mensen
de mensen liggen traag als aarde
de mensen staan verheven als lucht
uit de moederborst groeit de zoon
uit het vadervoorhoofd bloeit de dochter
als rivieren en oevers vochtig en droog is hun huid
als straten en kanalen staren zij in de ruimte
hun huis is hun adem
hun gebaren zijn tuinen
zij gaan schuil
en zij zijn vrij
het is de aarde die drijft en rolt
het is de lucht die zucht en blaast
door de mensen
Lucebert (1924 – 1994)
Advertenties