Een vuist van ingehouden hijgen – Neeltje Maria Min

In het Rijmrijk leven we met alle vormen van poëzie. Op geboortekaartjes en overlijdensberichten. Op straten en pleinen. Ook in boeken, maar dat bijna altijd in bescheiden mate. Dichtbundels verkopen niet uitbundig. Uitgeverijen willen voor hun goede naam wel een paar dichters in portefeuille, maar niet teveel want dat wordt te duur. Een enkele keer verdient een bundel de kosten terug, sommige bloemlezingen behalen monsteroplagen, maar dat blijven uitzonderingen.

EJP_7703-1In 1966 verschijnt de bundel Voor wie ik liefheb wil ik heten bij de Amsterdamse uitgeverij van Bert Bakker. Het is het debuut van Neeltje Maria Min, geboren in 1944 in, hé waar hebben we die plaats eerder gezien, Bergen. Bert Bakker kwam met de titel, vroeg aan Neeltje om haar eigen naam te gebruiken in plaats van haar pseudoniem Sophia Perk en zette direct 7000 exemplaren in de boekhandels uit. In de zevende druk staat een trots lijstje met hoe hard het ging in die tijd. In totaal zijn er 70.000 exemplaren verkocht van deze bundel. En dat is veel, heel veel voor een bundel.

Hoe kan dat? Welke betovering ging er uit van deze gedichten dat veel mensen het elkaar cadeau hebben gedaan of aangeraden als leestip? Ik zag bij een collega op een prikbord het meest bekende gedicht hangen, het titelgedicht en tevens het eerste gedicht van de bundel. Het had iets lieflijks en romantisch. Iets hijgerigs aan het einde zelfs: ‘Noem mij, noem mij, spreek mij aan, / o, noem mij bij mijn diepste naam’. Mooi gepassioneerd. Wie de bundel doorleest houdt dat gevoel van passie en lieflijkheid niet lang vast. Wie de bundel uit heeft, leest het eerste gedicht ook met totaal andere ogen. Er is een diep ondoorgrondelijk lijden dat wordt bezweerd met de taal. De groep waarvoor de ‘ik’ graag wil heten, blijkt kleiner dan verwacht. En de taal, het woord, de naam spelen de hoofdrol.

Er staan 50 gedichten in de bundel waarvan er zes een titel dragen. Dat is bijna evenveel als er weken in een jaar zitten en dat zeg ik omdat het laatste gedicht zegt ‘het afgelopen jaar is boek geworden’ en de allerlaatste regels ‘jij en het jaar en ik zijn boek geworden.’ De afronding van een proces? Op sommige plaatsen leest de bundel als een sonnettenkrans, waarbij het ene gedicht aanhaakt aan het andere alsof een lopend verhaal vertelt moet worden. En welk verhaal is dat dan? Een sombere schets van een bedrukte jeugd waarin zaken gebeuren die niet benoemd mogen worden.

Wat te denken van een gedicht als dit?

het was donderdag.
de moeder bood geen tegenstand:
de moeder doodde ondoordacht
de kinderlijke tegenmacht.
de dag ging over in de nacht
en in de kamers woedde brand
en in de kamers heerste wind
en in het kind verging het kind.

EJP_7705-1Welk trauma is de ‘ik’ aan het verwerken? Wat kun je als lezer met de regels ‘ik ben genoemd meisje en vrouw. / ik ben bekend als vrouw en meisje.’? De gedichten over de moeder hebben als titels rancune (1 en 2) en op zijn positiefst toenadering. Het kind heeft maar één wapen tegen hetgeen het overkomt, het wil zichzelf opheffen en heeft één grote ambitie: herbeginnen. Poëzie als ventiel van de ziel. Er zit iets dat eruit moet, nergens wordt expliciet benoemd wat het trauma veroorzaakt.

De thematiek van de bundel is dan ook niet het lijden, maar eerder het verbergen van het lijden. De taal is daarbij het ideale middel voor het zwijgen. In de bundel komt zeven keer het woord ‘naam’ voor en zeven keer ‘zwijgen’. En maar liefst zeventien keer lezen we ‘woord’ of ‘woorden’. De titel van de bundel is tevens het thema: slechts voor degenen waar je echt van houdt wil je je ware aard bekend maken. Willen ‘heten’, een ‘naam’ hebben, is alleen ‘voor wie ik liefheb’, maar de vraag blijft wie tot dat selecte gezelschap horen: de vader? Hij is aanwezig als een zwijgende trooster, maar ook de basis voor een geheim. De moeder? De relatie met de moeder is moeilijk positief te duiden als we lezen ‘o moeder (…) / u draag ik op mijn dood.’

In het op één-na-laatste gedicht komen we de thematiek van het ‘veelzijdig zwijgen’ helemaal terug. Het is het enige sonnet in de bundel waar we veel vrije vormen aantreffen. De vorm heeft de inhoud zelden in de weg gestaan, de dichter werd meer geleid door de woorden die eruit moesten dan door metrum of rijm. Maar in ‘van mijn gedachten…’ zien we wat meer vormdwang hoewel het rijm wel veel vrijheid krijgt, het zijn allemaal varianten op het ‘ui’-rijm of het ‘ei’-rijm en allemaal vrouwelijk. In het gedicht bepaalt de ‘jij’ het denken van de ‘ik’ en dat ligt niet aan het praten van de ‘jij’. De zeer aanwezige stilte werkt als een roesmiddel. Maar het lijkt wel of de ‘ik’ zich wil onttrekken aan deze roes en daarvoor de poëzie aan het woord zet: ‘dit wordt een filter over de geluiden’. Daarbij leg ik ‘dit’ uit als het gedicht, de uiting die zich gaat verzetten tegen het onteigenen van de stem. Eerst als filter maar vervolgens als ‘uitroepteken’. Het gedicht gaat het gevecht aan met alle emoties die niet verwoord mogen woorden en toch erom schreeuwen om naar buiten te treden. Weg uit de wereld waar de taal niet kan worden gebruikt omdat er klanken aan verbonden zijn…

Het titelgedicht staat op nummer 7 in de gedichten top 100. Zeer geliefd in bloemlezingen, regelmatig op muziek gezet en zo bezongen. Het is ook een mooi gedicht, vol verlangen en zelfs met veel hoop. Het lezen van de hele bundel geeft een andere kijk op dat populaire gedicht en dat maakt het alleen maar mooier. Daarmee heb ik het raadsel van de grote oplagen niet opgelost, maar dat is een charmant raadsel dat nooit opgelost hoeft te worden. Het is mooi dat het kon: een bundeltje met 50 gedichten dat zich even uit de marge weet te wringen en duizenden leestafels vult.

 

EJP_7702-1van mijn gedachten ben jij steeds de ruiter

van mijn gedachten ben jij steeds de ruiter,
jouw stilte is een web waarin ik sluimer
en al jouw spreken is veelzijdig zwijgen.
laten wij langzaam in elkander stijgen.

laten wij taal van elke klank ontruimen
en zo volbrengen wat wij steeds verzuimden:
een reis aanvangen naar hetzelfde zwijgen
waar echo’s in gedempte woorden dreigen.

dit wordt een filter over de geluiden
die heersen in de kelen van wie huilen.
wie spreken durft, wordt van zijn stem onteigend.

dit wordt een uitroepteken in de ruimte
waar woorden voor het eerst hun klank verkrijgen.
dit wordt een vuist van ingehouden hijgen.

Neeltje Maria Min

Advertenties

3 gedachtes over “Een vuist van ingehouden hijgen – Neeltje Maria Min

  1. Pingback: De uitgeknipte wereld van Johanna Geels | het rijmrijk

  2. Pingback: De Moeder – bloemlezen met Komrij | het rijmrijk

  3. Pingback: Jean Pierre Rawie als lyrische lijster | het rijmrijk

Reacties zijn gesloten.