Wij ademen moord – Anna Enquist

Met het gezin gaan genieten van een ontspannen vakantie, dat is de bedoeling. En de trein gaat het gezelschap brengen naar een plaats waar bergschoenen van pas komen. Naar het oosten gaat de reis, net als in de oorlogsjaren de transporten met joodse Nederlanders. Oostelijker dan Duitsland zodat de Duitse bevolking toentertijd rustig kon blijven slapen. Maar daar denkt het reisgenootschap niet aan. Men gaat ontspannen plezier beleven. Allemaal! Nou, natuurlijk niet allemaal, want een van de reizigers, de ‘ik’, krijgt een visioen, een blik op een parallel universum zou je bijna denken.

Anna Enquist schrijft een anekdotisch gedicht. Een strofe over het hier en nu, een strofe over de gedachten die op de loop gaan met de ‘ik’ en een strofe terug in de werkelijkheid, hoewel die zo anders wordt bezien dat een bezoek aan een winkel, ver van de trein wordt gezien als een ‘vlucht’. De verdwaalde gedachten echoën nog na in het hoofd van de waarnemer. Zo hard dat de trein ver achter het gezelschap moet worden gelaten.

Poëtische vormen om de reis te beschrijven worden gebruikt om het weg te houden van proza, om het de gloed van rust en liefde te geven. Een treinkaartje heet het ‘recht op doortocht’. Het voorbijrazende landschap is niet bekend maar ligt ‘vriendelijk vreemd’ te zijn. Er zijn luxe zaken als boterhammen met zalm en koele wijn. Wat er in de koffers zit is lief genoeg om allitererend te mogen worden opgesomd: naast de bergschoenen, zijn er bloesjes en bloknotes. De ‘ik’ zal wel een dichter zijn, denk ik dan, want die kunnen op vakantie wel een bloknote gebruiken!
De overgang naar de andere, gedroomde, werkelijkheid, verloopt abrupt en zonder directe aanleiding. ‘Vol met bloed liggen wij op de plank’ hoeft niet meteen reden tot paniek te geven, maar die zin krijgt een steeds zwaardere lading nadat de regels erna zich ontrollen. Het landschap wordt grimmiger en is allang niet meer ‘vreemd vriendelijk’ maar ‘zwart en verlaten land’. En dan, dat machteloze gevoel dat je je kinderen niet meer kunt beschermen als soldaten je kinderen buiten je bereik brengen. De lieve b-alliteratie uit de eerste strofe verandert in een harde k-alliteratie: ‘kraken, kelen…’

Maar ergens weet de ‘ik’ dat het hier een nachtmerrie betreft. De boze droom kan worden verjaagd door een nieuwe dag. Laat die er snel zijn, snel, snel. Het verzoek wordt gehonoreerd. De zon komt op en laat een nieuwe dag beginnen en dat gaat gelijk op met het einde van de reis. Eindelijk. Het is er koud, maar toch ook een plek om aan te komen. Het gezelschap wordt ‘omhelsd’. Tijd om de vakantie op een goede manier te starten. Daar hoort brood bij en een beweging ver van die boze droomtrein…

Waarheen de trein ons brengt

Wij hebben het recht op doortocht gekocht
en betreden de trein. Het wordt avond, de wijn
is nog koel van thuis, het landschap ligt vriendelijk
vreemd te zijn. De zon doet zich dicht; wij, in
dat laatste licht nog net een gezin, worden zacht
aan de nacht gegeven, zalmboterham in de hand.
In het raam staan de koffers met bloknotes,
met bloesjes en bergschoenen deinend te zweven.

Vol met bloed liggen wij op de plank. Als ik op-
schrik: de kinderen vijftien jaar kleiner, een muur
van bittere stank, de trein dendert oostwaarts
door zwart en verlaten land. Wij kunnen geen ouders
meer zijn als soldaten hen dreigen en sleuren
buiten het bereik van het woord, ons kraken, kelen;
wij ademen moord. Ik slik mijzelf in, ik verzamel
mijzelf in één zin: dat de dag komt, de dag komt!

De dag komt van links, het is goed. Deuren slaan
open, de voet raakt de grond. Wij worden omhelsd
door heldere lucht uit de bergen, beijsd in het rond.
Vlakbij is een winkel. Brood kopen. Vlucht.

Anna Enquist (1945)

Uit ‘Jachtscènes’ (1992), maar ik heb het uit de bloemlezing ‘De mooiste gedichten…’ Amsterdam 2012.

Advertenties