Dichter dankzij meester Komrij (afl. 2)

Kilootje Komrij

Kilootje Komrij. Foto: EJP

We gaan nog even door met de ‘vignetten, voetnoten en verzuchtingen’ over poëzie die Gerrit Komrij verzamelde in de bundel ‘Tussen hemel en aarde’. Naast besprekingen van heel veel gedichten (één per dag, omdat het oorspronkelijk een kalender was) over verschillende thema’s geeft de meester meesterlijke ontboezemingen over de poëzie. Tussen de gedichtbesprekingen van J.C. Bloems werk, Zuid Afrikaanse poëzie en kinderpoëzie lezen we veel over de inspanningen van het schrijven van bloemlezingen, maar ook over wat poëzie wel en wat ze niet ‘hoort’ te zijn, volgens meester Komrij.

Maak nooit gedichten over verdriet als je verdriet hebt

[p. 11 – Over dat er iets van een afstand moet bestaan] “Gedichten over de liefde willen meestal niet erg lukken als je hevig verliefd bent. Je loopt grote kans dat het kwijlende, hijgerige, sentimentele, verraderlijke gedichten worden. Probeer het maar eens. Je bent er te dicht bij ‘betrokken’, zoals dat dan heet. De liefde moet eerst wat van je zijn weggewandeld, of overgegaan zijn in haat en wrok, voor je mooi over de liefde kunt schrijven. Zo mooi dat een ander er ook nog wat aan heeft. Gedichten over verdriet willen nooit, nooit, nooit lukken als je verdrietig bent. Ja, ’t worden wel heel verdrietige dingen, maar heel verdrietige dingen zijn geen gedichten, al zijn veel gedichten heel verdrietige dingen. (…)”

Eerst het fileermes, de hark, de hamer en de rasp

[p. 46 – Over poëzie als middel om gevoelens kwijt te kunnen] “Mensen die zeggen graag ‘hun gevoelens kwijt te willen’ in de poëzie raad ik aan onmiddellijk met dichten te stoppen. Wie van gevoelens uitgaat heeft niets van poëzie begrepen. ’t Is al moeilijk genoeg om stap voor stap een plaatsje voor die gevoelens of een rol voor die gevoelens in de poëzie te vinden. Emoties en ervaringen moeten daar veroverd worden, in de vorm van verhevigingen, abstracties en maskerades. De balans tussen kunst en leven is precair. Het is een langzame ontwikkeling. Voor mij althans was het een heel langzame ontwikkeling. Je doet er het beste aan om bij elke aarzeling, elke tweesprong, elke opwelling voor de kunst te kiezen. Gevoelens moeten eerst de behandeling ondergaan van het fileermes, de hark, de hamer en de rasp. Grandioos is het moment waarop je kunt zeggen: Dit ben ik niet en dit ben ik toch. (…)”

Een dichter hoort de poëzie opnieuw uit te vinden

[p. 62 – Over de definitie van poëzie] “Ik zou moeten weten wat poëzie is. Ik geloof dat ik de enige ben in het Nederlandse taalgebied die zowat alle gedichten heeft gelezen, van de middeleeuwen tot, pakweg, vorige maand. Ik ben aan het bloemlezen geslagen omdat de uitgever me een voorschot betaalde en omdat hij vond dat ik een wijsneus was en dus geknipt voor de taak. Ik moest maar eens laten zien wat ik van de poëzie vond en de beste methode leek me om dat door middel van een bloemlezing te doen. Pedante verhandelingen en diepzinnige essays waren er al genoeg. Ik ben eraan begonnen als dichter, wil ik maar zeggen. Toen ik mijn neus in andermans gedichten stak had ik mijn eigen gedichten al op poten. Ik kende goddank maar weinig gedichten toen ik mijn gedichten schreef. Een dichter hoort de poëzie opnieuw uit te vinden. Ik had als dichter toen niets zinnigs over poëzie kunnen zeggen en als ze me nu vragen, nu ik alle gedichten heb gelezen, wat poëzie is moet ik naar waarheid antwoorden: geen idee. (…)”

Iets raadselachtigs vloeit met het grootste gemak uit de pen

[p. 78 – Over obscurantisme] “Waarom ik niet duister schrijf. Niets is zo eenvoudig als moeilijk schrijven. Een hermetisch gedicht schrijven, geen kunstje is kouder. Iets raadselachtigs, het vloeit je met het grootste gemak uit de pen. Duidelijkheid kost zweet. Helderheid, een schrijver moet er zich voor inspannen. Ik heb het niet over gedichten die alleen maar duister ‘lijken’ door gebrek aan onderwijs en kennis bij de lezer. Ik heb het over obscurantisme omwille van zichzelf, over het welig tierende fenomeen in de poëzie dat de dichter zijn gedichten met betekenisloze nonsens vult in de hoop dat de lezer die voor intrigerende raadsels zal aanzien – raadsels die om een wetenschappelijke oplossing bedelen.”

Een ambachtsman in trance, nee, in concentratie

[p. 79 – Over hermetische poëzie, vervolg] “In die zin is mijn poëzie hermetisch, dat ik een gedicht zo hecht mogelijk probeer dicht te timmeren, zo sober mogelijk ook, met zo weinig rijmklanken als maar kan, zo gezwaluwstaart als maar kan. Er moet veel in een gedicht zitten dat door het gedicht zelf verborgen wordt gehouden. Dwaalsporen en valstrikken helpen daarbij, afleidende manoeuvres. Ik voel me een ambachtsman, maar dan een ambachtsman in trance. Ik schrijf liever geen gedichten, omdat ik tegen de trance opzie. Concentratie is misschien een beter woord, trance klinkt zo religieus. De trance van drie spijkers in de mond en zwaaiend met een setje hamers. Concentratie is het ook niet helemaal. Concentratie is zo gericht op het resultaat. Bij poëzie moet het ook ergens vandaan komen. Niet ergens van buiten of van boven, maar uit je eigen catacomben.”

De mooiste generaties zijn de vergeten generaties

[p. 89 – Over generaties] “Op de universiteit hebben ze het graag over generaties. Er moet nu eenmaal ingedeeld en onderverdeeld worden. Zo heb je blauwe en groene generaties, wilde en tamme. Scholen doen het ook goed. Realistische scholen. Ultraromantische scholen. De mooiste scholen zijn de scholen die uit één persoon bestaan. En de mooiste generaties zijn de vergeten generaties. (…)”

[p. 97 – Meer over generaties] “Dit is een zoveelste poging om en generatie te omschrijven, de sfeer van een generatie, de ziel van een generatie, de motieven van een generatie, de onmogelijkheden van een generatie. Het is en blijft ondankbaar werk. Ook als je beweert dat jouw generatie eigenlijk geen generatie is omschrijf je een generatie. Ook als je een generatie definieert als een generatie zonder bijzondere kenmerken heb je een bijzonder kenmerk van die generatie aangegeven. En wie zit uiteindelijk om zo’n omschrijving verlegen? De generatie zelf of de buitenwereld? Heeft niet elke definitie van een generatie iets journalistieks, iets literair-wetenschappelijks, iets commercieels, een handvat voor boekhouders en handelaren?”

Gerrit Komrij leefde voor de poëzie. Als dichter, als bloemlezer, als beschouwer. Hoe zei hij dat ook alweer in mijn vorige blog? “Zelfs het feit dat achtennegentig procent van de poëzie volstrekte flauwekul is kan me niet van het idee afbrengen dat poëzie valt onder de menselijke topprestaties.” En de ‘ik’ uit de gedichten is zelden de dichter zelf, maar bij het gedicht ‘Schrikbeeld’ doe ik maar net of Gerrit zelf spreekt… Wat blijft er van ons over zonder de poëzie? Technisch weer een lekker strak gedicht. Twee strofen met omarmend rijm en de uitsmijterstrofe met wisselend rijm. Vier accenten per regel en heerlijke rijmfondsen. Waar tref je woorden als toerenteller of redetwister aan in het eindrijm? Die eerste strofen hebben een speelse toon, de gevolgen voor het kwijt raken van de poëzie zijn weer zo groot dat het niet echt indruk maakt. De derde strofe geeft een mening die groter en harder is. Iemand die van de ‘mensenliefde’ is, heeft het masker van de poëzie nodig om onzichtbaar te blijven voor de massa en zo de doodstraf te ontspringen. Dat gevolg is heftiger dan te verworden tot brievenbesteller. En zo gaat dit speelse gedicht heel ongemerkt tóch ergens over. De dichter heeft dit gevoel blijkbaar al voldoende geraakt met het fileermes, de hark, de hamer en de rasp om er een gedicht van te mogen maken.

Schrikbeeld

Neem me de poëzie af
En ik ben een brievenbesteller
Een defecte toerenteller
Een man zonder toverstaf

Trek me mijn maskers af
En ik ben een gesteven minister
Een gediplomeerd redetwister
Op weg naar mijn marmeren graf

Een sukkel in sukkeldraf
Op weg naar het avondrood
Op mensenliefde staat straf
En de sukkels moeten dood

Gerrit Komrij (1944 – 2012)

Uit: Spaans benauwd (2005). Laten we luisteren hoe Gerrit Komrij zelf ‘Neem me de poëzie af’ voorleest op de Utrechtse ‘Nacht van de Poëzie’ in 2005.

Advertenties