Dichter dankzij meester Komrij (afl. 1)

GK Tussen hemel en aardeGerrit Komrij schreef mooie gedichten, fraaie vertalingen en had een scherpe, zeg maar venijnige, pen in veel van zijn commentaren en columns. Vooral in de periode dat hij schreef over televisie (de ‘treurbuis’) in de NRC was hij gevreesd. Zijn stukken over poëzie zijn altijd wat milder van toon geweest. Waarom? Misschien stemt ouder worden milder, misschien nam hij zijn ambassadeursrol als eerste dichter des vaderlands heel serieus. Hij heeft veel gedaan voor het ‘poëzieklimaat’ in Nederland. Hij was mede-oprichter, stimulator, inspirator van de poëzieclub, het tijdschrift Awater en de Turinggedichtenwedstrijd. Hoeveel mensen zal hij hebben gestimuleerd om aan het dichten te slaan?

Een van de meest belangwekkende boeken over poëzie heeft zich verstopt als een gelegenheidsboekje. In 2013 verscheen een bewerking van de door Gerrit Komrij samengestelde poëziekalender voor het jaar 2012. In de kalender lezen we per dag een gedicht en een bijbehorende gedachte. In het boekje zijn vooral de datums weggelaten, die bleken niet nodig. Die gedachten bij de gedichten zijn ‘vignetten, voetnoten en verzuchtingen’ over poëzie geworden zoals ook de ondertitel luidt van de bundel ‘Tussen hemel en aarde’. Goed verscholen tussen de interpretaties en de achtergrondinformatie geeft de grote meester zijn ideeën over poëzie. Deze informatie verdient een betere plaats dan een achterafje in een boek dat ik in de ramsj aantrof. Laat deze blog een begin zijn.

Er zijn miljoenen gedichten, er is maar één poëzie

[p. 361] “Alles wat er aan gedachten geschreven wordt – de grote diversiteit – is bedoeld om dat ene grote simpele begrip van poëzie in te vullen. Er zijn miljoenen gedichten, er is maar één poëzie. Er hebben altijd richtingen, scholen en poëzieoorlogen bestaan. Er is altijd een hang geweest naar het introduceren van een theorie, liefst met wettelijk gezag. Er is wat afgepolemiseerd over welke poëzie voor de ware poëzie mocht doorgaan. Verstandelijk diende de ideale poëzie te zijn, gevoelig, autonoom, revolutionair, academisch, modernistisch, parodistisch, episch, intiem – noem maar een paar sleutelwoorden.

Het wonder van de poëzie is juist dat er zo veel soorten poëzie mogelijk zijn. Dat alle theorieën op één hoop elkaar als het ware weer opheffen. En synthese is er niet. Fuck de poëtica’s. Fuck de programma’s. Ik heb gelukkig ook niks met compromissen en brave gulden middenwegen. Dat hoeft ook niet. Elke dichter kan boven dit alles zweven, en toch uitstekend voor zijn particuliere hoekje zorgen. Als poëzie niet overtuigt ligt het niet aan de poëzie, maar aan de dichter, de toepasser. Er roeren zich nu eenmaal veel ontoereikende talenten of talenten die te lui zijn om het onderste uit de kan te halen. Maar zelfs het feit dat achtennegentig procent van de poëzie volstrekte flauwekul is kan me niet van het idee afbrengen dat poëzie valt onder de menselijke topprestaties.”

Er zijn veel poëzieën

[p. 348] “Ooit heb ik in Leiden de Albert Verwey-lezing gehouden, die gepubliceerd werd onder de titel Poëzie is geluk. Speculaties met een geleerd tintje. En een titel die de lezer opzettelijk op het verkeerde been zette. Ik bedoelde niet ‘gelukkig zijn’, ik bedoelde ‘geluk hebben’. Niet happiness, maar chance, luck. Niet de zegen, maar de dobbelsteen. Ik probeerde waarachtig tot iets als een definitie van de ‘poëzie in het algemeen’ te komen. Er zijn van die dagen dat men alles durft. Ik kan en wil deze praatjes hier niet herhalen – alleen één ding verbaast me achteraf. En dat is met hoeveel gemak ik het over ‘de’ poëzie had. Er zijn veel poëzieën.”

De acht lagen van het begrip poëzie

Gerrit Komrij neemt zich in ‘Tussen hemel en aarde’ voor om wat betekenislagen af te krabben van het begrip ‘poëzie’. Wat is het allemaal gaan betekenen en wat doen we daarmee?

[p. 350 – de eerste laag] “Dat is poëzie, dat is poëtisch – het ligt in de mond van velen bestorven. Het woord poëzie als publiekslieveling. Wat ermee bedoeld wordt is ‘de poëzie in het leven’, ‘de poëzie van het leven’ – de zonnige kant, de kant waar je oog voor moet hebben en die je vooral niet moet verwaarlozen. ‘Dat klinkt me als poëzie in de oren.’ Een woord dat synoniem is met honing en hemelse sferen. (…)”

[p. 351 – de tweede laag] “De poëzie in uitdrukkingen als de wereldpoëzie, de Nederlandse poëzie, de Limburgse poëzie. De poëzie als het werk van alle dichters bij elkaar. Daar kan een geschiedenis van geschreven worden, daar valt een bloemlezing uit samen te stellen, je kam er zelfs professor in worden. Het corpus kent een traditie, een heden en een toekomst . Traditie en toekomst zijn doorgaans vaag, en het heden heeft veel te maken met cafés eb roddel en nijd. Op scholen en universiteiten is het einde van de literatuurgeschiedenis in zicht. (…)”

[p. 352 – de derde laag] “De poëzie als kunstzinnig genre, als het totaal waarin die kunstvorm afwijkt van het genre dat kwast en instrumenten hanteert. De techniek en de aanpak van de dichter. De manier waarop dichters poëzie bedrijven. Hier gonzen woorden rond als sonnet en alliteratie, als het vrije vers en enjambement, als stijl en anapest. Handleidingen en technische leerboeken vol met die termen. Aan het begin van de twintigste eeuw zwierven er boeken rond die Woordkunst heetten, nu heb je allerlei doe-het-zelfboeken voor dichters-in-spe. Al die boeken staan in het krijt bij de retorica, de oude leer van de overredingskunst door vormelijke trucs.”

[p. 353 – de vierde laag] “Poëzie waarbij je onmiddellijk moet denken aan studie. De poëzie als staande in een traditie van geleerdheid en opslag van kennis. Overlapt voor een deel de poëzie als literatuurgeschiedenis. Gedichten worden spontaan begrepen als dingen om te bestuderen, om te ontleden en te analyseren. Poëzie als academische discipline. Veranderen de academische modes, dan verandert het poëziebegrip mee. Er bestaat een respectabele traditie van dichtersgroepen en individuele dichters die aan de heersende academische mode tegemoetkomen en die speciaal schrijven voor de behoeften van die markt. Andere dichters worden nolens volens door de geleerden omarmd en kunnen er ook niets aan doen dat ze gemangeld worden en een slechte naam krijgen. (…)”

[p. 355 – de vijfde tot en met de achtste laag] “Zo zijn er nog wel een aantal betekenisnevels die de eigenlijke zon die ‘poëzie’ heet versluieren. De poëzie als volksvermaak. Salonpoëzie en de poëzie uit poëziealbums. Poëzie als afwijking. Poëzie als iets wat geen proza is. Poëzie als gekkigheid. Poëzie als tranentrekker. Poëzie als bezigheidstherapie. Poëzie als tijdsverdrijf voor pubers. Soms kennen de toepassingen van ons woord een uiterst negatieve ondertoon. ‘Poëtische vrijheid’ staat voor ‘klinkklare nonsens’ en ‘het is maar poëzie’ voor ‘het is gelogen of het gedrukt staat’. (…)”

Gerrit Komrij schreef geen gedichten om zijn ziel bloot te geven, hoewel de aandachtige lezer vast stukjes van de mens Komrij kan vinden tussen zijn dichtregels. De afstand die hij nastreeft zit helemaal in het gedicht ‘De zwijgzaamheid’. Het leest als een credo voor het afstand houden, hoewel de dichter wel toegeeft dat hij lijdt. Maar aan wat? Willen wij dat te weten komen, zullen de meest bijzondere zaken eerst moeten gebeuren. We komen in dit gedicht traditionele elementen tegen: een strak rijmschema waardoor zelfs het woord ‘eerder’ is veranderd in de oude vorm ‘eer’. Nette afstandelijkheid totdat de dichter het niet meer houdt en behoefte heeft aan middeleeuwse kluchttaal door het beeld van de volgepoepte hoed erbij te halen.

De zwijgzaamheid

Eer maakt men lakens wit met inkt,
Eer speelt men schaak met bezemstelen,
Eer vindt men nog een roos die stinkt,
Eer ruilt men stenen voor juwelen,

Eer breekt men ijzer met zijn handen,
Eer zal men stijgen in valleien,
Eer legt men een garnaal aan banden,
Eer leert men geiten kousen breien,

Eer plant men bomen op de weg,
Eer zal men kakken in zijn hoed,
Dan dat ik u mijn ziel blootleg
En zeg wat ik thans lijden moet.

Gerrit Komrij (1944 – 2012)

Laten we luisteren hoe Gerrit Komrij zelf ‘De zwijgzaamheid’ voorleest op de Utrechtse ‘Nacht van de Poëzie’ in 1994.

Advertenties

Een gedachte over “Dichter dankzij meester Komrij (afl. 1)

  1. Pingback: De Moeder – bloemlezen met Komrij | het rijmrijk

Reacties zijn gesloten.