Geen water blust dit vuur…

Joost van den Vondel - Apeldoorn

Standbeeld Joost van den Vondel in Apeldoorn. Foto: EJP

Gedichten die het laatste nieuws behandelen, kunnen die de eeuwigheid wel aan? Dat vroeg ik mij af bij Ramsey Nasr, maar Joost van den Vondel heeft allang bewezen dat het kan. Hoog in de lijst van ‘vaak-gebloemleesde’ gedichten staat zijn gedicht ‘Het stokske van Johan van Oldenbarneveldt’. Vraag iemand de naam van een oude dichter en de naam van Vondel popt op. Let op: Vondel, niet Van den Vondel. ‘Vondel’ is de merknaam geworden van de Dichter. Geen wonder: pleinen, straten, wegen zijn naar hem vernoemd, zelfs een heel park, standbeelden staren je aan. Hoe dat komt? Joost mag het weten, zijn schrijfwerk is niet bij velen bekend. Een vergelijking met zijn Engelse collega William Shakespeare is snel gemaakt. Qua roem is er een link, maar Shakespeares werk wordt nog steeds gespeeld. Hoeveel interpretaties van Hamlet gaan we nog krijgen? Vondels ‘Lucifer’ kent daarentegen nog steeds geen verfilming.

Tot 1968 was er de traditie om ieder jaar in Amsterdam de ‘Gijsbrecht van Aemstel’ te spelen. Maar dat had volgens mij ook veel te maken met het vasthouden van het Amsterdamgevoel. Die Gijsbrecht zou ooit de zaak goed bij elkaar hebben weten te houden, vijanden geweerd, anders was er niet het Amsterdam geweest dat we nu kennen en wie wil daar aan denken? Over de historische juistheid schijnt nogal wat af te dingen te zijn, maar daar gaat het niet om in de kunst.

Wie op zoek gaat naar dichtregels van Joost van den Vondel die nu nog tot de verbeelding spreken, heeft het lastig. De gedichten die hij maakte over de dood en uitvaart van zijn dochtertje, vind ik voorbeelden van hoe je als dichter niet teveel op je eigen verdriet moet zitten om iets goeds te maken. Afstand is noodzakelijk wil een uiting als kunstwerk indruk maken. De troost dat het kind in de hemel een beter ‘leven’ heeft, dringt nog onvoldoende door. ‘De Dood kwam op de lippen/ en ’t zieltje zelf ging glippen.’

Er is één passage in de ‘Gijsbrecht’ die als los gedicht een eigen leven is gaan leiden. Veelvuldig geciteerd om de huwelijkse band te eren. En ja, in de tijd van Van den Vondel was dat alleen nog de band tussen man en vrouw. Zou je deze regels isoleren uit de geschiedenis dan kan een kwaadwillende lezer hier een pleidooi lezen voor het traditionele huwelijk waarbij de combinaties man-man en vrouw-vrouw minder ‘oprecht’ zijn. Dat is niet aan de orde. Omdat het gaat om een deel van een groter toneelstuk betrekken we het grotere dramatische verband erbij. Zie hier een scène die we nu nog tegen kunnen komen in moderne films: de bedreigde held wil zijn geliefden wegsturen naar veiligere plaatsen, het onbekende zomerhuisje van de familie aan een groot meer in een uitgestrekt bos. Soms vertrekt de geliefde en zien we later een romantisch weerzien aan datzelfde meer. In dit verhaal wil geliefde Badeloch met hun twee kinderen van geen wijken weten. In het vijfde bedrijf lezen we dat Badeloch zegt: Met smarte baerde ick ’t kind, en droegh het onder ’t hart. / Mijn man is ’t harte zelf. ‘k heb zonder hem geen leven./ k Zal u, om lief noch leedt, bezwijcken noch begeven /k Beloofde u hou en trouw te blijven tot de dood. Wat een opofferingsgezindheid, welk een krachtige liefde, wat een sterk drama.

En de vorm? Joost van de Vondel was autodidact, man uit de middenklasse met een winkel die Latijn en Grieks kon lezen en zelf zijn weg zocht om te schrijven. Maar de traditie was de basis en een ruimere interpretatie daarvan was door de tijdgenoten dan ook niet begrepen. Het toneelstuk de Gijsbrecht van Aemstel is dan ook opgebouwd volgens de strakke regels van het Griekse drama waarbij ieder bedrijf werd afgesloten door een commentaar van buitenaf. Zo sluit het vierde bedrijf af met de ‘Rei der burgzaten’, het koor van de stadsbewoners, de burgers. Even geen dialogen of monologen maar een korte betekenisgeving aan de handelingen zodat de zaal weet hoe zij zich moeten voelen. We zien in deze rei een strak repeterend schema per couplet met het rijmschema aabcbc. Een metrum dat per regel drie of vier accenten kent om uit te monden in de laatste regel met nog maar twee accenten. Dat geeft die laatste regel veel aandacht, met de voorlaatste regels als een aanloop. Maar het zijn niet de eindregels die de tijd hebben doorstaan maar vooral de eerste drie. Zodra er mensen trouwen of een trouwjubileum vieren, steken ze de kop op. Mooi eigenlijk, een romantische krans boven het fenomeen dat verder nogal aan kracht heeft verloren. En in het zaaltje waar het trouwjubileum wordt gevierd weten de directe familieleden hoe het in de werkelijkheid is gelopen met de huwelijkse trouw van de bruid of de bruidegom.

Rei der burgzaten

Waar werd oprechter trouw
Dan tussen man en vrouw
Ter wereld ooit gevonden?
Twee zielen gloênde aaneengesmeed,
Of vast geschakeld en verbonden
In lief en leed.

De band, die ’t harte bindt
Der moeder aan het kind,
Gebaard met wee en smarte,
Aan hare borst met melk gevoed,
Zo lang gedragen onder ’t harte,
Verbindt het bloed.

Noch sterker bindt de band
Van ’t paar, door hand aan hand
Verknocht, om niet te scheiden,
Nadat ze jaren lang gepaard
Een kuis en vreedzaam leven leidden,
Gelijk van aard.

Daar zo de liefde viel,
Smolt liefde ziel met ziel
En hart met hart te gader.
Die liefde is sterker dan de dood.
Geen liefde koomt Gods liefde nader,
Noch is zo groot.

Geen water blust dit vuur,
Het edelst, dat natuur
Ter wereld heeft ontsteken.
Dit is het krachtigste ciment,
Dat harten bindt, als muren breken
Tot puin in ’t end.

Door deze liefde treurt
De tortelduif, gescheurd
Van haar beminde tortel.
Zij jammert op de dorre rank
Van enen hoge boom, verdroogd van wortel,
Haer leven lank.

Joost van den Vondel (1587 – 1679)

Advertenties