Ischa Meijer – Naar iemand die nooit kon bestaan

Het kampeerterrein in Egmond aan de Hoef heeft een recreatiezaaltje. Sjoelbak, kleine TV met DVD-speler en een stapel kleurrijke kinderfilms, verkleedkist met prinsessenkleren, maar ook een boekenkast. Daar tref ik een boek met werk van Ischa Meijer. Journalist, geweldig interviewer, columnist en ook een beetje dichter. Columns over de Dikke Man staan erin, maar ook wat artikelen en een stuk of wat gedichten. Het bindende in het werk is dat ze allemaal gaan over de relatie van Ischa Meijer met zijn ouders. Een turbulente relatie waarbij in de laatste levensjaren vooral sprake was van een afwijzing van alle kinderen. Zelfs mensen die met de kinderen bleven omgaan, waren niet meer welkom in Heemstede bij Jacob Meijer en zijn vrouw Liesje Voet. EJP_7354

Ischa Meijer heeft zijn leven lang geworsteld met zijn afkomst en de relatie met zijn ouders. Het gedicht ‘Sonnet’ heeft dat ook als thema en in dat gedicht komt ook de regel voor waarin Ischa zichzelf schetst in relatie met zijn door de oorlog getraumatiseerde ouders: ‘een jongetje dat alles goed zou maken…’ Ischa werd geboren in 1943 en was als baby aanwezig in het concentratiekamp Bergen-Belsen. De oorlog en het joods zijn komen veel terug in het werk van Ischa. Als interviewer was hij een meester in het aan de orde stellen van poses, van oneerlijkheid, van op lucht steunende reputaties.

Thuisgekomen raadpleeg ik de Dikke Komrij, de veelverkochte bloemlezing uit 1979, en daar tref ik één gedicht aan en dat is al dan niet toevallig ‘Sonnet’. Deze titel had het toen het voor het eerst verscheen in Propria Cures in januari 1972. Komrij heeft het uit een bloemlezing met gedichten uit dat studentenblad, een bloemlezing die ook in 1972 is verschenen. In de bundel ‘Een jongetje dat alles goed zou maken’ [Meijer, 1996] heeft het gedicht geen titel meer en wordt het vernoemd naar de eerste regel. Fijnslijpers stellen dan de vraag: in hoeverre is het een sonnet? Voldoet het aan de kenmerken? Eén aspect daarbij is dat er na de achtste regel een breuk optreedt, een verschuiving, een verandering van insteek of perspectief. Dichter Ischa Meijer enjambeert rustig door na regel acht, maar daarna verandert het anekdotische in het uiten van een inzicht.

Kun je een gedicht lezen van Ischa Meijer en doordringen tot de kern als je bekend bent met leven en werk van de dichter? Elk gedicht is een kunstwerk op zichzelf en moet eigenlijk al het werk zelf doen. De verwijzing naar het Victorieplein bijvoorbeeld. Heeft het gezin Meijer daar daadwerkelijk gewoond? Hoe interessant is dat als je het als metafoor ook al een sterk beeld vindt. De Amsterdamse Vrijheidslaan komt uit op het Victorieplein. We vieren een overwinning met de vernoeming maar na de overwinning gaat de strijd door, of de verwerking van de wonden.

In het gedicht gaat de zoon terug naar de bekendheid van een woonhuis waar hij nog kind was, kind van zijn vader, kind van zijn moeder. Het is een vergeefse tocht naar een ‘thuis’ of tenminste een ‘thuisgevoel’, vergeefs omdat de tijd, zeg maar het leven, niet om te keren is, niet te manipuleren. De tocht naar het voormalige ouderlijk huis is noodzakelijk om tot een besef te komen. De zoon is geen kind meer en het is ook bizar om dat te romantiseren want het kind dat in een zekere geborgenheid kon opgroeien bestaat niet. In de laatste regels blijkt dat het een zelfopgelegde opdracht betreft: ‘ik moet alles goed maken’. Dan komt de ‘tijd’ weer terug, de onbedwingbare tijd. De zoon verlangt dat hij alsnog terug in de tijd kan om dat alles helende jongetje te kunnen zijn. De tijd had hem gewoon zijn werk moeten laten doen. De dichter verlangt ernaar en beseft dat het niet kan, maar dat besef moet vaker indalen, want de tocht naar het Victorieplein herhaalt zich regelmatig.

Sonnet

Soms loop ik ’s nachts naar het Victorieplein,
Als kind heb ik daar namelijk gewoond.
Aan vaders hand zijn zoon te zijn,
Op moeders schoot te zijn beloond

Om niet. Om niet is het, dat ik hier ga,
De vrieskou in mijn jas laat dringen,
Alsof de tijd zich ooit zou laten dwingen,
Terwijl ik roerloos in de deurpost sta

Om thuis te komen. En zo simpel is de gang
Om tot dit moeilijk inzicht te geraken:
Dat ik geen kind meer ben; dat ik verlang

Naar iemand die nooit kon bestaan:
Een jongetje dat alles goed zou maken –
de tijd die stilstond en hem liet begaan.

Ischa Meijer (1943-1995)

Advertenties