Het lied verstomde, al eeuwen her – Adriaan Roland Holst

AdriaanRolandHolst02

Standbeeld Adriaan Roland Holst. Ontworpen door Mari Andriessen [1979]. Foto: EJP

‘Bergen’ heet het dorp, maar dat is gek. Vlakker dan daar vind je het zelden. Wie fietst voelt vooral de weerstand van de wind. Als de Mont Ventoux maar dan zonder de berg. Kerk in het centrum, gezellige terrasjes eromheen. Twee boekwinkels (2!) weerspiegelen de weelde. In Bergen woonde jarenlang de dichter die werd aangeduid als ‘de Prins der Nederlandse dichters’, Adriaan Roland Holst, van 1918 tot zijn dood in 1976. Zijn huis was een toevluchtsoord voor dichters en schrijvers en dat straalde af op Bergen die hem daarom ook heeft vereerd met een standbeeld. Niet geheel op ware grootte, veronderstel ik, anders was het een wel hele kleine man, staat hij op zijn pedestal met zijn rug naar de oude kerk die al tijdens de Tachtigjarige Oorlog was vernield. Het meest in het oogspringende gedicht van Adriaan Roland Holst is te vinden in het hart van Amsterdam, op het oorlogsmonument op de Dam. NIMMER, VAN ERTS TOT AREND, WAS ENIG SCHEPSEL VRIJ ONDER DE ZON, NOCH DE ZON ZELVE, NOCH DE GESTERNTEN. Niet een heel toegankelijk gedicht, maar het past goed in de thematiek van Roland Holst. Veel van zijn gedichten ademen namelijk een grote afstand uit van het leven op aarde. Er zijn volkeren en koningen en verloren tijden. Roland Holst schrijft als de verbannen dichter van een rijk dat ooit bestaan heeft en nog slechts in de herinnering leeft van enkelen. Wie gek is op de thematiek van de Ban van de Ring, wie de wereld van de Game of Thrones, herkent er veel in. Maar in het leven van nu, zijn die werelden nog schaduwen. Heel soms meldt zicht een boodschapper, vaak in de vorm van een zwerver, bij de dichter en is er even contact over ‘de voortijd’. De titel ‘Prins der dichters’ zegt ook meer over zijn relatie met een vergaan koninkrijk dan zijn positie in dichtend Nederland, want als hij de prins was, welke dichter mocht dan de titel ‘koning’ dragen, of ‘koningin’?

AdriaanRolandHolst01

Foto: EJP

Het meest bekende gedicht van Adriaan Roland Holst staat op nr. 17 in de NRC-top 100 van 1999. ‘Zwerversliefde’ staat daar net onder Luceberts ‘ik tracht op poëtische wijze’. Een liefdesgedicht waarbij een ‘zwerver’ een lotgenoot aanspreekt: “Laten wij zacht zijn voor elkander, kind”. Of het hier een werkelijke liefde betreft of een droomtoestand is een van de mooie raadsels die wordt opgeroepen. “Veel liefde ging verloren in den wind,/en wat de wind wil zullen wij nooit weten;”. Het gedicht ‘Uit een oud dorp’ zou zomaar kunnen spelen in Bergen, daarom heb ik het gekozen. Veel aanwijzingen daarvoor zijn er niet, maar de gedachte is aardig. Veel traditionele verstechnieken zijn gebruikt bij dit gedicht. Kijk maar even mee: vijfvoetige jamben (pabám, gedícht) in iedere regel, de zogenaamde pentameter. Omarmend rijm (abba), waarbij het mannelijke rijm in omhelzing ligt met het vrouwelijke rijm. Dit gedicht komt uit de bundel ‘De wilde kim’ die voor het eerst in 1925 uitkwam, waarbij ik de titel altijd heb begrepen als de onstuimige horizon. In de verte gebeurt het allemaal. Het hier en nu is rustig, zoals het oude dorp, via het weer (de wind) en de natuur (vogels) is er contact met het ongrijpbare. De vreemdelinge die het dorp aandoet en niet doortrekt. Het is vast niet toevallig dat er een wisseling in jaargetijde aankomt, de lente dient zich aan. Maar voor de vreemdelinge nadert het einde. Zij wacht nog op iemand, ik zelf ontkom niet aan een associatie met de zwerver uit het gedicht ‘Zwerversliefde’, maar tot twee keer toe schrijft de dichter ‘Maar hij kwam niet’. De vogel bij het raam roept hem avond aan avond bij het open raam, maar het zijn de nachtegalen die niet de verwachte binnen laten, maar de dood. Of is dat eigenlijk dezelfde? De wind in de nacht (groots, geheimzinnig en van ver) staat symbool voor de dood hoewel dat alleen wordt gesuggereerd. Het lied verstomde. Welk lied? Dat van de nachtegaal, dat van de wind of gewoon het lied dat leven heet? De regen sluit het spektakel af. De vreemdelinge maakt het niet meer mee: zij was al eeuwen her. De wind speelt een belangrijke rol in het dichtwerk van Roland Holst. Diezelfde wind die het fietsen van en naar Bergen bemoeilijkt…

Uit een oud dorp

Een vreemdelinge – niemand kende haar –
is op haar doortocht in dit dorp gestorven:
voor kort kwam zij alleen naar hier gezworven,
op weg waarheen – geen wist het, noch vanwaar.

De winter liep ten einde; zacht al riep
– donker en zacht – het voorjaar door de tijden
van het vallen der avonden; men zeide
van haar, dat haar leven ten einde liep.

Doch zij had lang al kunnen gaan, zij was
enkel nog hier daar zij een ander wachtte;
zij wist zich hem te redden nu bij machte,
nu haar verlangen tot den dood genas.

Maar hij kwam niet; zij ging niet langer uit,
zij was te moe geworden om te lopen;
maar altijd liet zij haar klein venster open;
daar riep een vogel hem met blij geluid.

Maar hij kwam niet. Toen kwam haar einde: groot
scheen de maan in waar zij lag te zieltogen.
Er was niets meer buiten haar open ogen
dan het raam, open op dien lichten dood.

Zij zag ernaar, zij prevelde de naam
van den verlorene; met lange halen
en juublend uitslaan zongen nachtegalen
den dood naar binnen door het open raam.

Toen kwam, groots geheimzinnig en van ver,
de wind aan door den nacht; het lied verstomde –
In den morgen, toen de mensen haar vonden,
regende het. Zij was al eeuwen her.

Adriaan Roland Holst

Advertenties