Het leven door de wilgenblaân – Staring van de Wildenborch

Kan het Gelderser? In hoeveel dorpen in Gelderland zijn er niet wegen, straten of pleinen vernoemd naar Anthony Staring? En hoeveel mensen kennen er dan ook een regeltje rijm van hem? Oudere Nederlanders kunnen soms het oogstlied ‘Sikkels klinken, sikkels blinken, ruischend valt het graan’ meezingen, maar dan is het wel over. Fietstochten door de Achterhoek komen steevast laFeatured imagengs de Wildenborch, de plek vanwaar Staring werkte als landheer en als dichter.

Anthony Christiaan Winand Staring kwam uit een gegoede familie, heeft gestudeerd aan de universiteit van Harderwijk en in Duitsland, maar is bekender geworden door zijn dichtwerk dan door zijn ideeën over landbouw. Hoewel: Staring was wel iemand die de sociale ontwikkeling een stuk verder hielp door een school te laten bouwen voor de boerenkinderen in de buurt. Dat dubbele zie ik ook in zijn poëzie, enerzijds is hij een man van zijn tijd met allerlei verwijzingen naar mythologische legenden en anderzijds zag hij de mens van zijn eigen tijd met gewone menselijke emoties. Het gedicht ‘Herdenking’ hoort daarbij.

Wie herinnert zich niet de sterke emoties van die eerste kus, dat eerste magische moment dat er iets gebeurt met je besef van tijd en ruimte en dat de gedachte opkomt dat je je wellicht kunt binden? Zo’n herinnering noemen wij nu niet meer snel een ‘herdenking’ omdat we dat woord intussen hebben weggegeven aan het actief opnieuw beleven van grootse en historische gebeurtenissen. Staring ‘herdenkt’ de eerste kus, maar ook de hele natuurlijke omgeving die daarbij getuige was. Bladeren druppen na van een regenbuitje, een zwaluw vliegt voorbij. De avond valt, maar pas als het echt donker wordt, gaan de geliefden weg van hun liefdesplekje dat daarmee tot heilige grond is verheven.

Een dichter als Staring zat vast aan het moeten van het metrum. Beladen is dan één lettergreep te lang en krijgt een ‘elisie’ om ‘belaân’ te worden. Dat rijmt op ‘blaân’ en dat is weer een elisie van bladeren. Zo kon men vroeger beladen op bladeren laten rijmen. We komen meer van die inslikkingen tegen: minlijk, flonkring, scheemring. Als ik nu nog verklap dat droppen en dropplend, nu als druppen en druppelend worden geschreven en dat stond een tijdsaanduiding is (vergelijk het Duitse ‘Stunde’, denk aan terstond). Volgens mij weet je dan nu genoeg om het gedicht te kunnen lezen en wellicht te waarderen. Het is een van de meest gebloemleesde gedichten in het Nederlands Rijmrijk. Komrij begint met Staring zijn beroemde bloemlezing, misschien wel om aan te geven dat met Staring de tijd van het modernere gedicht begon. Denk daar maar eens aan als je ergens in Gelderland door een Staringstraat wandelt.

Herdenking

Wij schuilden onder dropplend lover,
Gedoken aan de plas.
De zwaluw glipte ’t weivlak over
En speelde om ’t zilvren gras;
Een koeltje blies, met geur belaân,
Het leven door de wilgenblaân.
’t Werd stiller; ’t groen liet af van droppen.
Geen vogel zwierf meer om.
De dauw trok langs de heuveltoppen
Waarachter ’t westen glom.
Daar zong de Mei zijn avondlied!
Wij hoorden ‘t, en wij spraken niet.

Ik zag haar aan, en, diep bewogen,
Smolt ziel met ziel ineen.
O toverblik dier minlijke ogen
Wier flonkring op mij scheen!
O zoet gelispel van die mond,
Wiens adem de eerste kus verslond!

Ons dekte vreedzaam wilgenlover.
De scheemring was voorbij.
Het duister toog de velden over
En dralend rezen wij.
Leef lang in blij herdenken voort,
Gewijde stond! geheiligd oord!

Uit: Gedichten (1820)

Advertenties